‘We gaan uit van goed vertrouwen’

Voorzitter pensioencommissie

Een gedragscode voor de pensioenfondsen moet het vertrouwen vergroten. Het effect is vooralsnog vaag.

Margot Scheltema: „De sector klaagt eerder dat ze te streng gecontroleerd wordt.” Rogier Veldman / Hollandse Hoogte

Bijna alle pensioenfondsen hebben een goed rapport gekregen. Alleen: wat is het waard?

Negen op de tien pensioenfondsen houden zich aan hun nieuwe, wettelijke gedragscode, volgens de eerste evaluatie die donderdag zou worden gepubliceerd. Maar van bijna evenveel pensioenfondsen is dat eigenlijk helemaal niet zeker, erkent Margot Scheltema, voorzitter van de Monitoringcommissie Code Pensioenfondsen. „We gaan uit van goed vertrouwen.”

De Code Pensioenfondsen, in 2014 ingevoerd, is door de pensioensector zelf en de Stichting van de Arbeid opgesteld. Het doel is verbetering van het bestuur en de interne verhoudingen, het beter informeren van deelnemers en het vergrote van het vertrouwen in de sector. Fondsbesturen moeten getuigen van onder meer ‘evenwichtige belangenafweging’ bij bijvoorbeeld beleggingen.

Het effect blijft vooralsnog vaag. De code is weliswaar wettelijk, maar fondsen zijn vrij in de verantwoording. Alleen als ze één of meer van de 83 normen níét naleven, moeten ze dit motiveren. Op basis van jaarverslagen en andere stukken concludeert de commissie daarom: 94 procent van de fondsen opereert netjes, al is dat bij 88 procent daarvan slechts een aanname.

Andere conclusies: 68 procent van de fondsen heeft zijn missie, visie en strategie nog niet expliciet geformuleerd. En slechts eenderde van de fondsen voldoet aan de normen voor diversiteit, terwijl 85 procent wel een diversiteitsbeleid heeft.

In de pensioensector gaat ongeveer 1.000 miljard euro om. Is het niet bizar dat we niet goed kunnen controleren hoe daarmee wordt omgegaan?

„Er is natuurlijk heel veel controle. Er zitten twee toezichthouders bovenop de sector: De Nederlandsche Bank en de Autoriteit Financiële Markten. Fondsen worden gecontroleerd door accountants en actuarissen. Er is intern toezicht en er is nieuwe, zware wetgeving ingevoerd. Sterker nog, de sector klaagt eerder dat ze te streng gecontroleerd wordt.”

Maar zelf zeggen de pensioenfondsen heel weinig over de gedragscode.

„Wij kunnen niet veel meer doen dan er af en toe een grote lamp opzetten. De code is wettelijk verankerd, maar vrijwillig ingevoerd. Ik ben dit ook vrijwillig gaan doen en zit er niet om ze te bestraffen. Daar zijn andere organisaties voor en dat vind ik ook helemaal geen leuk werk, trouwens. Ik wil fondsen wel helpen om de kwaliteit van het bestuur te verhogen.”

Hoe kunt u dan beter toetsen?

„Je zou aan elk fonds kunnen vragen of ze van alle 83 gedragsnormen willen beschrijven hoe ze die naleven. Maar dat lijkt mij een slecht idee.”

Want dan krijg je ‘afvinkgedrag’: formele naleving, maar geen discussie.

„Precies. En dan krijg je dikke jaarverslagen waar niemand iets mee opschiet. We willen volgend jaar veel meer gesprekken voeren met fondsen en specifieke vragen stellen. Niet zozeer over het gekozen bestuursmodel, maar meer over het gedrag binnen de organisatie.”

Dat is veel werk voor één commissie en ruim 300 pensioenfondsen.

„Ja, daarom willen we ook meer leunen op het interne toezicht. Pensioenfondsen hebben een raad van toezicht en een verantwoordingsorgaan. Die organen moeten naleving van de code betrekken bij hun werkzaamheden. Wij willen hun vragen: kunnen jullie vertellen hoe het bij jullie gaat met dit en dat?”

In een jaarlijks verslag?

„Dat kan. We willen bijvoorbeeld ook eens kijken naar de uitvoerders van pensioenfondsen: de organisaties die de beleggingen en de administratie verzorgen. Hoe zorg je ervoor dat je eigen beleid volledig tot zijn recht koment en tot uiting komt bij de uitbesteding van zulke taken?”

U bent blij dat de code tot discussies onder pensioenfondsen heeft geleid, staat in het rapport. Discussies waarover?

„Over de klachtenregeling bijvoorbeeld. Veel fondsen hebben er een, maar de vraag is wat ermee gebeurt. Het kenmerk van een sterke, lerende organisatie is een goed functionerende klachtenregeling – inclusief klokkenluidersregeling. De klachtenafhandeling moet snel, zorgvuldig en open zijn. Mensen moeten erop kunnen vertrouwen. Maar het is nog lang niet overal zo ingevoerd. Het is echt een discussiepunt bij veel fondsen. Moet er bijvoorbeeld een extern, onafhankelijk orgaan voor klachten komen?”

Welke discussies spelen er nog meer?

„Onder meer over diversiteit. Pensioenfondsenbesturen moeten minstens één vrouw en iemand onder én boven de veertig hebben. Nou, ze zijn er nog lang niet. Dat is echt een worsteling.”

Waarom is het een worsteling?

„Omdat ze nog geen goede kandidaten kunnen vinden, zeggen ze.”

Gelooft u dat? U bent meermaals uitgeroepen tot meest invloedrijke vrouw in het Nederlandse bedrijfsleven.

„Nou, volgens Managementscope dan, hè. Maar ik zeg expres ‘vinden’. Goede kandidaten zijn er natuurlijk wel, ze zijn alleen nog niet gevonden. Dat is een kwestie van harder zoeken, andere headhunters inschakelen. Je kunt ook niet verlangen en verwachten dat iemand vanaf dag één alles van pensioenen weet. Ik hoor wel eens, ook van vrouwen, dat ze bang zijn om niet door de toetsing van DNB te komen als kandidaat-bestuurder.”

De code is mede ingevoerd om het vertrouwen in pensioenfondsen te vergroten. Is dat al enigszins gelukt?

„Dat vind ik wel. Niet omdat de conclusies dat staven, want we weten het niet. Maar omdat de code wel goed is geland.”

U bedoelt dat de sector de code nu kent?

„Ja, en dat is al heel wat. Pensioenfondsen weten wat er van hen wordt verwacht. Maar we zijn er nog niet.”