Van Amsterdams naar Berlijns museum

Paul Spies, directeur van het Amsterdam Museum, gaat zes stadsmusea in Berlijn leiden. Zijn opvolgster in Amsterdam krijgt ook een pittige klus: een nieuwe locatie zoeken voor het museum.

Judikje Kiers en Paul Spies, de nieuwe en vertrekkende directeur van het Amsterdam Museum. Ze staan op een 40 meter lang tapijt, dat alle 179 nationaliteiten weergeeft die in Amsterdam wonen. De loper is gemaakt door kunstenaar Barbara Broekman en is getiteld: ‘Mijn stad; een feest van verscheidenheid’. foto Frank Ruiter

Hoe kan het dat de directeur van het Amsterdam Museum naar Duitsland wordt gehaald om daar leiding te gaan geven aan vijf Berlijnse stadsmusea en een zesde dat nog gebouwd moet worden? Paul Spies was zelf ook „best even verrast” toen hij het telefoontje kreeg waarmee hem werd gevraagd op deze baan te solliciteren. Maar hij wil ook niet al te bescheiden zijn. Hij weet wel waarom ze juist hém wilden hebben. „Dat komt door onze tentoonstelling Amsterdam DNA, waar bezoekers in drie kwartier kunnen zien wat de succesfactoren van deze stad zijn.”

Toen Spies zeven jaar geleden aantrad bij het museum zei hij meteen dat er „Ikea-shortcuts” in de looproute moesten komen. Hij had er al eerder als freelancer tentoonstellingen ingericht en daarbij was hem één ding duidelijk geworden: „Toeristen die naar Amsterdam komen, willen in korte tijd een heleboel dingen doen, die hebben geen zin om urenlang door een museum te lopen en alle tekstbordjes te lezen.”

Spies liet een snelle route ontwikkelen waarbij vier thema’s, het ‘DNA’ van Amsterdam, de rode draad vormen: ondernemerschap, vrijdenken, creativiteit en burgerschap. De bezoekcijfers, die altijd onder de 200.000 lagen, gingen omhoog. Afgelopen jaar kwamen er 222.000 bezoekers. Daarnaast gingen 205.000 mensen kijken naar de groepsportretten uit de Gouden Eeuw die het Amsterdam Museum tot 2017 tentoonstelt in de Hermitage.

En daarom willen ze hem nu in Berlijn. Een van zijn belangrijkste opdrachten wordt daar het inrichten van 4.500 meter tentoonstellingsruimte in het Humboldt Forum, een prestigieus herbouwproject van het in 1950 gesloopte Berliner Stadtschloss. In het nieuwe complex worden zes instellingen gevestigd, waaronder vier musea. Over vier jaar moet het heropenen; Spies heeft een half jaar de tijd om een plan te ontwikkelen voor ‘zijn’ verdieping.

Eén-op-één de formule uit Amsterdam kopiëren is hij niet van plan. „Ik wil die ruimte gebruiken om de rol van Berlijn in de wereldgeschiedenis te laten zien. Het Humboldt Forum wordt niet voor niets genoemd naar de ontdekkingsreiziger Alexander von Humboldt. Onze verdieping kan de brug vormen tussen de tentoonstelling op de begane grond, over de geschiedenis van het stadspaleis, en de twee volkenkundige musea op de bovenverdiepingen. De brug tussen Berlijn en de wereld, zogezegd.”

Hij denkt dat Neil McGregor, de directeur van het British Museum die net naar Berlijn is gehaald om de samenwerking binnen het Humboldt Forum in goede banen te leiden, blij zal zijn met zijn aanbod. „Elke van de betrokken instituten heeft nu zijn eigen plan voor de inrichting. Hij is aangesteld als intendant om daar meer samenhang in te brengen.”

In Duitsland moet Spies meer rekening houden met de wensen van de politiek dan in Nederland. Het telefoontje dat hem naar Berlijn haalde, kwam van de staatssecretaris van cultuur van de deelstaat Berlijn, Tim Renner. Die zit ook in de raad van toezicht. „Ik maak daar wel eens opmerkingen over, zo van: Tim, in Nederland kan dat helemaal niet. Wij hebben cultural governance. Jullie moeten daar nog wel een keer over nadenken. Aan de andere kant: het grote voordeel is dat politici in Duitsland alleen maar méér geld aan cultuur willen besteden. Ik heb twee weken na mijn benoeming 65 miljoen euro gekregen om het Märkisches Museum te verbouwen.”

Verwaarloosd stadsmuseum

Dat is Spies’ andere grote klus in Berlijn: de verbouwing van dit verwaarloosde Berlijnse stadsmuseum en het daarbij horende Marinehaus. Hij keert zich naar Judikje Kiers, de directeur van Museum Ons’ Lieve Heer op Solder en het Bijbels Museum, zijn opvolgster in Amsterdam. Ze is tijdens het gesprek binnengekomen in zijn werkkamer en aangeschoven aan tafel. Dat was de afspraak, want dan kon Spies eerst vertellen over Berlijn. „Hoeveel heeft jouw verbouwing gekost?” vraagt Spies aan haar.

In september heropende Ons’ Lieve Heer op Solder, een zeventiende-eeuws woonhuis met op zolder een katholieke schuilkerk, na een verbouwing van zes jaar. „Dat kostte 11 miljoen euro”, zegt Kiers.

„Ja, die 65 miljoen euro die ik krijg in Berlijn is niet mis”, zegt Spies. „Maar dat Marinehaus kun je beter Ruïnehaus noemen. Daar moet echt heel wat aan vertimmerd worden. En het Märkisches Museum is heel erg verouderd, dat heeft niet eens een klimaatinstallatie.”

Wat hij in elk geval snel wil veranderen is de naam van het Märkisches Museum. „Ik heb bij mijn sollicitatiegesprek gezegd: welke toerist weet nou dat dit het historisch museum van Berlijn is?” Hoe het dan wel moet heten, weet hij nog niet. ‘Historisch’ is ook geen woord waarmee je toeristen trekt, vindt hij.

In Amsterdam doopte hij het Amsterdams Historisch Museum per 2011 om in Amsterdam Museum. „Maar dat blijkt toch ook weer een nadeel te hebben”, weet hij nu. „Het museum wordt zelfs door Nederlanders het ‘emsterdem mjoesiejum’ genoemd. Het heeft het imago van een toeristenmuseum. Nederlandse bezoekers weten ons niet genoeg te vinden. Dat heeft ook met de ligging te maken, verborgen tussen de Nieuwezijds Voorburgwal en de Kalverstraat. De verdubbeling van ons bezoekersaantal door de tentoonstelling in de Hermitage bewijst dat de locatie echt uitmaakt. Die groepsportretten hadden we ook al hier laten zien. Maar toen kwamen er veel minder bezoekers. Het had hier gewoon geen smoel, het gebouw is te krap.”

De Amsterdamse Kunstraad deed eind 2014 de aanbeveling aan de gemeente om het museum te verhuizen naar een gebouw waar de collectie beter tot haar recht komt. De wethouder cultuur, Kajsa Ollongren, heeft het advies overgenomen. Judikje Kiers begint haar directeurschap dus ook met een flinke klus.

Spies en zijn staf hebben samen twee scenario’s voor de verhuizing bedacht. In het ene krijgt het museum één nieuw gebouw met drie ingangen, voor elke doelgroep één: de toeristen, de museumkaarthouders en de Amsterdammer met ‘museumvrees’. „Dan kun je voor elke doelgroep presentaties op maat inrichten”, zegt Spies.

In het tweede scenario blijft DNA, de toeristentrekpleister, in het Burgerweeshuis zitten, en wordt voor de rest van de collectie een nieuw gebouw gezocht. Daarnaast moet het museum zoveel mogelijk ‘de wijk in’, om de Amsterdammers te bereiken die zelf niet naar het museum gaan. Het museum experimenteert daar nu al mee door af en toe tentoonstellingen in te richten in culturele centra in de wijken. „Ik heb al veel gebouwen aangeboden gekregen, zoals het gebouw waar eerst Energetica, het museum voor techniek en energie, in zat”, zegt Kiers. „Maar het lijkt me de verkeerde volgorde om eerst voor een gebouw te kiezen en dan te bedenken wat we daarin gaan doen.”

Scheepvaartmuseum

Wat vindt Kiers van het voorstel van Kees van Twist, de oud-directeur van het Groninger Museum? Hij stelt voor om een nieuwe Museumkwartier te ontwikkelen op het marineterrein aan de Kattenburgerstraat. Het Amsterdam Museum zou daar in zijn visie moeten worden samengevoegd met het Scheepvaartmuseum. „Wat ik meteen heb gemerkt, is dat iedereen wel een idee heeft over de verhuizing”, zegt Kiers. „Ik ga er vanaf maart fris naar kijken. Eerst moeten we een programma van eisen schrijven. Er is ook nog geen budget, of een tijdpad. Helemaal niks, behalve een aantal denkrichtingen.”

Zelf ziet zij het stadsmuseum van de toekomst vooral als een „netwerk over de stad heen”. Daarom wil ze de huidige locatie niet opgeven als er een nieuw pand wordt gevonden. „Het Burgerweeshuis maakt deel uit van de parelketting van verhalen die wij door de stad rijgen.”

Bij die ‘parels’ hoort ook Museum Willet-Holthuysen, een zeventiende-eeuws grachtenpand waarin het Amsterdam Museum de geschiedenis laat zien van een verzamelaarsechtpaar dat er in de negentiende eeuw woonde. Een andere parel is het Cromhouthuis, waarin op de bovenverdieping het Bijbels Museum is gevestigd. In dit grachtenpand wordt op de lagere verdiepingen met collectiestukken van het Amsterdam Museum het verhaal verteld van de invloedrijke Amsterdamse familie Cromhout.

Opgeteld bestierden Spies en Kiers de afgelopen jaren samen vijf musea. „Sinds 2010 werken we intensief samen onder de naam Amsterdam Heritage Museums”, zegt Kiers. „Onder die paraplu dienen we ook één gezamenlijke subsidieaanvraag in bij de gemeente.” Zou het dan niet logisch zijn als zij directeur werd van alle vijf de musea tegelijk? Zij kent ze tenslotte als geen ander.

„Ik ga er niet over”, zegt Kiers. „Het is aan de besturen van de musea en de raad van toezicht van het Amsterdam Museum om daar een zorgvuldige afweging in te maken. Voor Ons’ Lieve Heer op Solder en het Bijbels Museum is het ook belangrijk de eigen identiteit te koesteren. Heb je daar een eigen directeur voor nodig of niet, dat is de vraag waar zij zich nu op moeten beraden.”