Papieroverwerk

ILLUSTRATIE OLIVIA ETTEMA

Ziekenhuizen geven jaarlijks tientallen miljoenen euro’s uit aan papierwerk, meldde het NOS Journaal begin deze week. Dat is bedoeld om de kwaliteit van de zorg te verbeteren, maar er moeten zoveel formulieren worden ingevuld dat die zorg er juist onder lijdt.

Naar aanleiding van dit bericht informeerde een lezer naar de geschiedenis van het woord papierwerk. Je zou denken dat die geschiedenis al lang en breed in kaart is gebracht, maar dat bleek niet het geval. Zo ontbreekt dit woord merkwaardig genoeg in het Woordenboek der Nederlandsche Taal, het wetenschappelijke woordenboek dat het Nederlands tussen grofweg 1500 en 1975 beschrijft. Gelukkig kent de Dikke Van Dale het wel, zij het pas sinds 1999. Volgens dit woordenboek betekent papierwerk simpelweg ‘het verrichten van allerhande administratieve werkzaamheden’, maar die definitie lijkt me zeker niet compleet.

Papierwerk blijkt een lange geschiedenis te hebben. Zoals te verwachten was, werd het aanvankelijk niet gebruikt voor ‘administratieve werkzaamheden’, maar voor ‘werk van papier, iets dat van papier is gemaakt’. In een boek uit 1776, getiteld De koopman, of bijdragen ten opbouw van Neerlands koophandel en zeevaard, is sprake van de fabricage van „allerlei zaamengelijmd Papierwerk”, zoals dozen. Dat papierwerk werd vervaardigd door papierwerkers.

Papierwerk was ook een geliefde vrijetijdsbesteding, onder meer voor kinderen. De kleine papierwerkers of wat men van een stukje papier al maken kan, was een bestseller in de 19de eeuw. Een andere toepassing vond ik in een beschrijving uit 1869 van een blaaspijp: „Een houten buis, waardoor de kinderen opgekaauwd papierwerk af kunnen schieten.”

Kranten publiceerden vroeger gedetailleerde beschrijvingen van scheepsladingen. Ook daarin duikt geregeld het woord papierwerk op. Zo’n ‘Handelsbericht’ vermeldde bijvoorbeeld dat er „106 pakken papier en papierwerk” aan boord waren, plus o.a. „1 kist muskus, 1 kist hoeden” en „20 kisten rhubarber”.

Dergelijke gedetailleerde inventarisaties waren vanzelfsprekend het resultaat van veel administratief werk. Bij mijn weten duurde het tot het midden van de 19de eeuw voordat dit papierwerk werd genoemd. De vroegste figuurlijke toepassing van dit woord vond ik in het Weekblad van het regt van 1851. Daarin staat: „Ieder burgemeester staat en handelt nu op zich zelf. Hij kan voor het besturen der gemeente uitnemend geschikt zijn, op zijn papierwerk moge nimmer eenige aanmerking vallen, hij kan niettemin een ongeschikt leider der politie zijn.”

Terzijde: dit citaat komt uit een discussie over het functioneren van de Nederlandse politie. Ook 165 jaar geleden meende men dat centrale regelgeving weleens een efficiëntere politiemacht zou kunnen opleveren.

Heeft papierwerk een negatieve gevoelswaarde? De Dikke Van Dale zegt daar niks over, maar volgens mij wordt dit woord vaak negatief gebruikt. Administratie, je komt er niet onderuit. Maar papierwerk wordt ons doorgaans opgedrongen: door verzekeringsmaatschappijen, overheidsinstellingen, enzovoorts. Die negatieve associatie is niet van vandaag of gisteren. Al in een krant uit 1883 lezen we: „M. belast zich van nu af aan weer met het maken van allerlei papierwerk” – dat klinkt niet meteen vrolijk.

Nederlandse ziekenhuizen die hun papierwerk op orde willen hebben, rekende de NOS voor, moeten zich tegenwoordig gemiddeld aan 45 kwaliteitsregistraties houden, zeven patiëntervaringsonderzoeken en 19 keurmerken. Papieroverwerk.