Kunst, een vorm van burenhinder

Vanuit de ramen van het zeventiende-eeuwse huisje waarin ik in Amsterdam woonde, had ik uitzicht op een lomp appartementencomplex uit de jaren tachtig: plastic kozijnen en gele, grote bakstenen.

Het duurde niet lang voordat ik besefte dat mijn overburen het slimmer hadden aangepakt dan ik, bewust of niet. Ze huren gesubsidieerd, hun dak lekt niet, ratten lopen niet in hun spouwmuren en het belangrijkste: hun uitzicht bestaat uit zeventiende-eeuwse architectuur. Ik keek naar lompe lelijkheid.

Dit inzicht (niets is mis met lompe architectuur zolang je zelf de bewoner bent) ligt als principe ten grondslag aan de bebouwing van de Belgische kust. Dat is één grote, grijze, betonnen schutting. Pluspunt: duizenden bewoners, nee tienduizenden, hebben zicht op zee. De appartementen zijn populair.

Schrijver Eric de Kuyper, auteur van het boek Met zicht op zee (1997), legt het nog eens rustig uit in de mooie driedelige documentairereeks Archibelge! The Ugliest Country in the World: wonen in de flats van Oostende is „een techniek om de lelijkheid te vermijden”.

Het is daarom riskant wat de gemeente in 2012 deed. Ze gaf Arne Quinze opdracht een kunstwerk te maken voor een plek tussen kustlijn en flats, het Zeeheldenplein. Quinze plaatste enkele grote, rode blokken. Ze hebben iets van uitvergrote rondslingerende papierproppen. Ze steken fraai af tegen de grijze Atlantikwall van opgestapelde mini-appartementjes. Maar ja, dat is ook niet moeilijk, tegen zo’n achtergrond.

De familie Vandemeulebroucke klaagde vanaf het begin, via inspraakrondes en petities. Ze wonen op de eerste verdieping van de flat Commodore. Een van de proppen belemmert hun uitzicht op zee. Nu gaan ze naar de rechter.

Hoeveel is het waard, zicht op zee? Hun advocaat is daar stellig in: 80 euro per dag. Behalve verwijdering van het kunstwerk eist de familie dat bedrag, terug te tellen tot de dag waarop het beeld verrees. Dat is zo’n 90.000 euro. De advocaat spreekt over „genotsderving”. Hij praat ook over „een vorm van burenhinder”.

De gemeente peinst er niet over het werk te verwijderen, bang als zij is voor „precedentwerking”. De kunstenaar is daar blij mee.

Maar hij is ook blij met de klagers. Hij wil ze bloemen sturen, omdat de commotie aandacht voor zijn werk genereert. „Allemaal gratis publiciteit.”

Hij zegt zelfs dat zijn blokken zonder deze controverse „misschien geen kunst zijn”. Maar dat is flauw. Wie met een knalrood blok het zicht op zee van zeezichtappartementenbewoners ontneemt, weet dat hij gedonder krijgt. Kunst of niet.