Het potvisspek danst als een pudding 

De eerste van vijf potvissen die dinsdag op Texel strandden, werd woensdag ontleed voor onderzoek. „We gaan nu strippen.”

Op het strand bij paal 12 liggen vier potvissen op een kluitje. Eén ligt er apart, op een paar honderd meter van de rest. Dinsdagavond spoelden de vijf potvissen aan op Texel. Dinsdagnacht om vier uur, bij laag tij, kon worden vastgesteld dat alle dieren waren gestorven.

De grootste potvis van de vijf is ongeveer 10 meter lang en heeft rode schaafwonden op zijn buik en flank. „Potvissen peilen diepte met sonar, maar daarvoor moeten ze wel hun kop naar beneden steken”, zegt Pierre Bonnet van Ecomare op het strand. „Misschien is dit de leider van de groep, en is hij tijdens een peilduik op een zandbank gestuit.”

Op de Duitse Waddeneilanden zijn dinsdag nog vier potvissen gestrand. Waarschijnlijk maken al deze potvissen deel uit van dezelfde groep. Het zijn jonge mannetjes op zwerftocht, die per ongeluk de ondiepe Noordzee in zijn gezwommen. Een fatale fout. Potvissen zijn duikers die in de diepzee op pijlinktvis jagen. In de ondiepe en glooiende Noordzee zijn ze hopeloos verloren. Het is een potvisval.

Vijf is eigenlijk niet te doen

Bij de onderzoekers die zich op het strand hebben verzameld heerst woensdagochtend vooral opluchting: als de potvissen nog hadden geleefd, was de discussie over een eventuele reddingsoperatie weer losgebarsten. “Met één potvis is dat al een hachelijke onderneming”, zegt Mardik Leopold, walviskenner bij onderzoeksinstituut Imares. „Met vijf potvissen is het eigenlijk niet te doen.”

Maar wat moet je met vijf dode potvissen? Die ontleed je. Voor de wetenschap zijn aangespoelde potvissen een buitenkans. Een sectie kan onthullen of de dieren ziek waren. Wat ze aten vlak voor hun dood. Welke parasieten er op hun huid zitten. Of er plastic in hun maag zit.

Het snijteam van de Faculteit Diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht staat woensdagochtend al klaar voor de ontleding. Zolang het hoogwater is kan dit, maar op het strand worden de organen alvast verdeeld. Mag ik de maag? Waar gaat het skelet straks heen? Iedereen die een stukje potvis wil, meldt zich bij Louis van den Boom. Van den Boom is patholoog bij de Universiteit Utrecht en coördineert de sectie. Hij zal straks als eerste het mes in de potvis zetten.

Het besluit valt woensdagmiddag om een uur of een: er gaat vandaag nog gesneden worden. De eenling is als eerste aan de beurt, de rest komt later wel. De kevlar handschoenen en overalls gaan aan. Intact is de potvis dan al niet meer. Zijn staart en vinnen raakten bij de stranding beschadigd. En in zijn bovenkaak staat een lange rij wondjes, die precies overeen komen met de tandenrij in zijn onderkaak. Het dier heeft zich vlak voor zijn dood in zijn eigen lip gebeten.

Van den Boom begint de sectie. Hij maakt een reeks inkepingen in de dikke potvishuid en lepelt er potvisspek eruit. Het vlees wordt in aluminiumfolie gewikkeld en gaat een plastic zakje in. Zo gaat het even door. „Tox”, roept Van den Boom als hij weer een reepje potvis omhoog houdt. In Utrecht zal dit stukje blubber toxicologisch worden doorgemeten, op zoek naar eventuele gifstoffen.

De genetici vertrekken voordat de ontleding goed en wel begonnen is. Ze kwamen voor potvispoep en dat hebben ze gekregen. Met DNA-onderzoek achterhalen ze wat voor vis en inktvis de potvis gegeten heeft, en met welke virussen hij geïnfecteerd was.

Het subtiele snijwerk is gedaan. „We gaan nu strippen.” De pathologen snijden grote lappen vlees. Als het spek los komt, danst het als een drilpudding. Met een vleeshaak trekt iemand de blubber los. De huid van de potvis is taai. De messen moeten voortdurend worden bijgeslepen.

De buik van het beest gaat open, de grijs-roze darmen en maag worden zichtbaar. De organen verdwijnen in zwarte containerzakken.

Buien trekken over het strand, de snijploeg werkt in stilte. Aan de andere kant van het strand rolt een shovel de potvissen hogerop het strand, buiten de greep van de zee. Morgen zijn zij aan de beurt.