Column

Zonder Bowie

‘Ook zo bedroefd over David Bowie”, vroeg iemand mij. Ik moest het ontkennen, bijna met enige schaamte, want ik kon de vraag wel begrijpen. Bowie is een leeftijdgenoot van mij, ik heb zijn opkomst meegemaakt en bovendien ben ik geïnteresseerd in popmuziek (ook al begint de klassieke muziek het steeds meer te winnen). Toch is het nooit wat geworden tussen Bowie en mij; ik kon goed zonder hem.

Hoe komt dat toch, vroeg ik me af toen ik de (inter)nationale rouw over zijn dood zag: hele tv-programma’s, kwaliteitskranten met ettelijke pagina’s. De dood van Elvis Presley heeft niet zóveel losgemaakt, misschien zelfs niet de moord op John Lennon – twee figuren die volgens mij veel meer voor de popmuziek hebben betekend.

Al die aandacht heeft zeker te maken met de hedendaagse, door de media verhevigde rouwrage rond beroemdheden, maar ik twijfel niet aan de oprechte bedroefdheid van de echte fans. Zij hebben iets in Bowie ontdekt waar ik kennelijk blind of ongevoelig voor was.

In dit opzicht ging het al vroeg met mij mis. In 1972 verscheen een nieuwe elpee van de jonge, rijzende ster David Bowie. Ik werkte toen nog in de stad Groningen en ging vaak luisteren in de platenzaak van Roel Hemmes aan de Steentilstraat, een van de best gesorteerde platenzaken van Nederland waar je in afgesloten kamertjes je favoriete muziek kon draaien. Ik was nieuwsgierig geworden naar Bowie, over wie ik het een en ander had gelezen.

Ik kan me nog goed de teleurstelling herinneren toen ik twee platen van hem had beluisterd: eerst Space Oddity en toen het pas uitgekomen The Rise and Fall of Ziggy Stardust and the Spiders from Mars. Hier en daar een aardig nummer, vond ik, maar de stem was aan de dunne kant, sommige nummers waren overgeproduceerd en de teksten waren nogal onbestemd.

Niet mijn muziek, besloot ik – en ging over tot de orde van de dag. Die bestond in die tijd uit veel uitstekende popmuziek; Bowie had zware concurrentie. De Beatles waren nog maar net – in 1970 – opgehouden, The Rolling Stones waren nog in volle bloei (Sticky Fingers, 1971) evenals soloartiesten als Randy Newman (Sail Away, 1972), Van Morrison (Astral Weeks, Moondance, 1968, 1970), Neil Young (After the Goldrush, Harvest – 1970, 1972), John Lennon (Imagine, 1971) terwijl Tom Waits aan zijn debuut werkte (Closing Time, 1973). Ik zou Bob Dylan bijna vergeten, die nog in 1970 een mooi album als New Morning had gemaakt.

Al die artiesten waren voor mij betere zangers en/of songwriters dan Bowie, en niet alleen voor mij. De smaakmakers van de betere popmuziek zaten op de radio destijds bij de VPRO: de discjockeys Jan Donkers, Rik Zaal en Wim Noordhoek. Zij hielden van country, blues en soul, maar niet van Bowie en Bryan Ferry, die ze dan ook niet of nauwelijks draaiden. Ferry kwam ook in die tijd op en leek in de verte op Bowie: ietwat pretentieuze, kokette pop. Alleen Elly de Waard, ere wie ere toekomt, popjournalist voor de Volkskrant, was in de progressieve media de pleitbezorger van zowel Bowie als Ferry.

Met kunst is het net als met de liefde: de eerste indruk is doorgaans bepalend. Bowie heb ik daarna alleen incidenteel nog beluisterd, soms ook met plezier (nummers als ‘Heroes’ en ‘Let’s Dance’), maar hij bleef voor mij in de schaduw van al die anderen.

Hij heeft daar niet onder geleden, kunnen we nu wel vaststellen.