Schooltoneel ‘Jihad’ met discussie na

Maandag was de eerste voorstelling van ‘Jihad’ voor 93 Rotterdamse scholieren in het Nieuwe Luxor. „Niet kleppen, en niet appen!”

Boven: Majd Mardo stoeit als Reda met zijn geweer. Onder: publiek kijkt naar Amini (l.), Mardo en Amar. Foto’s Robin Utrecht

Ze gaan op de tribune zitten met de jassen aan – gewatteerd, veel bontkraagjes – en soms zelfs met hun rugzak nog om. Uit de boxen klinkt hiphop: Radicaal van Sevn. 93 leerlingen van veertien, vijftien jaar uit de derde klas van een Rotterdamse vmbo-school zien vandaag de allereerste voorstelling van Jihad, over radicalisering en – inderdaad – jihadisme. De voorstelling maakt deel uit van een lespakket voor scholen in het kader van preventie, met direct aansluitend een nagesprek en een programma voor docenten om de materie in de klas nog verder uit te diepen. Ernstig onderwerp, maar de sfeer in het Nieuwe Luxor op maandagmiddag is onstuimig – gillen, rennen, lachen; dit is een uitje.

In de foyer roept meester Jos, streng maar zo te zien geliefd, groepjes leerlingen bij zich. „Telefoons uit straks, het is geen bioscoop. Je kijkt niet naar een scherm maar naar echte mensen. Dus onthouden allemaal: niet kleppen, en niet appen!” Kort voor aanvang klikken een paar meisjes wel nog snel een selfie. Dan verschijnen de drie acteurs op toneel: Saman Amini, Majd Mardo en Chems Eddine Amar, Nederlanders van Iraanse, Syrische en Algerijnse komaf. Ze spreken het publiek rechtstreeks aan. Majd Mardo, grappend: „Wij maken deze voorstelling met geld van de overheid, omdat we jullie goed advies gaan geven. Komt-ie: niet radicaliseren!”

Gejoel in het publiek.

Mardo: „Of zijn er bij jullie al mensen geradicaliseerd?”

Eén provocerende vinger.

Streng: „Deradicaliseren, nu!”

In het donker beschijnt Amini het gezicht van Mardo van onder met een zaklamp: zo ziet voor hen de toeschouwer eruit die in de zaal zijn telefoon checkt. „Oftewel: ik kan jullie héél goed zien. Dus jongens, doe die telefoons uit.” En dan lijken warempel de meeste smartphones braaf in knisperende binnenzakken te verdwijnen. Mardo: „Mooi. Dan gaan we nu af, en als we terugkomen, doen wij alsof we iemand anders zijn, oké?”

Naar Syrië in je Spiderman-pak

Verrassend welwillend en overwegend stil bekijken de leerlingen – veel zijn er vermoedelijk voor het eerst naar toneel – de avonturen van personages Reda (Mardo), Ismaël (Amini) en Ben (Amar). De voorstelling begint luchtig, met drie ketende jongens op een soort schoolreisje, maar ontaardt gaandeweg in twijfel, geweld en doodsangst. Het stuk rekent af met het beeld van nietsontziende fanatieke fundamentalisten: deze jongens, op één na, weten nauwelijks wat ze doen.

Vooral Mardo krijgt met zijn vertolking van de sullige Reda de lachers op zijn hand. Hij is het jonkie dat in de ban van computergame Call of Duty naar Syrië reist in zijn Spiderman-pak, om ‘ongelovigen af te knallen’, de kluns die de woorden ‘dromedaris’ en ‘inventaris’ verwart en in het vliegtuig stiekem wodka slurpt tegen zijn vliegangst. Als Ismaël hem bij de douane vraagt: heb je de bomgordel ook in je tas?, antwoordt hij serieus: moest dat dan?

Ook lachen: de termen kafir, bitches (tegen jongens), en de uitroep: shut up, kippenborst! De bewerking van Daan Windhorst zeilt vlotjes op grootstedelijk multiculti-slang (yo, bro), en taal en toon liggen dichtbij de doelgroep. Dat werkt. Grotendeels.

Opvallend is dat de onrust opsteekt – schuiven in de stoel, ritselen, giechelen, kletsen – naarmate de ernst toeneemt. Een scène met een gesneuvelde vrouw in een kerk (een laken met een bloedvlek erop) wekt hilariteit alom. Twintig minuten voor het slot voelt Amini zich alsnog genoodzaakt de voorstelling stop te zetten. Hij had al een paar waarschuwingen uitgedeeld. „We kunnen jullie horen hier hè? Zo raak ik uit mijn concentratie, en dat is zonde, want we staan hier voor jullie te spelen. Toon een beetje respect alsjeblieft, en wees nog twintig minuutjes stil.” Voor een geïmponeerd en nu muisstil publiek werken de acteurs toe naar het aangrijpende slot.

Wie voelt zich hier thuis?

Direct na het applaus springt Nourdin El Ouali het toneel op. De pedagoog en lijsttrekker van de Rotterdamse moslimpartij Nida leidt vanmiddag het nagesprek. Vingers wil hij zien: wie heeft er begrip voor deze jongens? En met wie van de drie identificeerde je je het meest? „Weten jullie wat ‘identificeren’ betekent?” Met Ismaël – de redelijke – had dit publiek het meest. Waarom? „Omdat hij aan het einde wist dat vechten in Syrië fout was.”

Een meisje op de eerste rij vindt de personages alle drie dom, want waarom zou je land moeten hebben voor je geloof? „Een huis is gewoon een huis, het wordt pas thuis als je familie er woont.” Instemmend gejuich uit de zaal.

Maar was er nog een andere reden dat de jongens naar Syrië wilden, vraagt El Ouali. „Omdat ze zich hier niet thuis voelden!” Vingers, vraagt hij: voelen jullie je hier thuis? Helemaal niet (nul vingers), een beetje (drie vingers) of heel erg (de meeste vingers). Een blozende jongen die ‘een beetje’ aangaf, licht zijn reserve toe: hij kreeg een keer: ‘Kutmarokkaan, ga terug naar je eigen land’ te horen.

Dan maakt het publiek kennis met Aissa Zanzen. Zanzen is hoofd algemene zaken van het ministerie van Veiligheid en Justitie, maar zit hier vandaag als ervaringsdeskundige: hij leidt de vrijwillige hulplijn voor ouders wier kinderen naar Syrië (willen) afreizen. Kennen de toeschouwers eigenlijk Syriëgangers? Twee vingers: de broer van een vriendinnetje, en een buurjongen. Hoe is dat, vinden zij? „Heel erg voor zijn moeder.”

El Ouali brengt het gesprek op IS. Hebben de misdaden van IS met de islam te maken? Nee, vindt een meisje. „Ze doen die dingen wel vanuit hun idee van het geloof, maar dat is niet mijn islam.” Instemming alom: islam betekent immers vrede! En de Koran schrijft zelfs nette regels bij oorlogvoeren voor. „Er staat nergens in dat je mensen mag onthoofden.”

Na afloop is Zanzen opgetogen. Maar zouden een voorstelling en een nagesprek nu echt radicalisering kunnen voorkomen? „Ik geloof van wel, ja, De discussie over islam, geweld en radicalisering moet veel vaker met jongeren worden gevoerd. Als zij zich gaan uiten over dit onderwerp, dan begint er iets te borrelen in die hoofden. Nu zijn deze kids er misschien nog niet zo mee bezig, maar met deze bagage zijn ze weerbaarder, op het moment dat het op hun pad komt.”

Ook regisseur Daria Bukvic vond de aftrap veelbelovend. „Wij geven jongeren die misschien gevoelig zijn voor net de verkeerde YouTube-filmpjes een aanvullend beeld. Stel dat je inderdaad afreist: wat staat je dan te wachten? Wij tonen de mogelijke consequenties op een manier waarmee zij zich kunnen identificeren. Complexe materie invoelbaar maken: dat is de grote kracht van theater.”