Naar de burgemeestervrouw

Ogenschijnlijk rukt de vrouw op in het openbaar bestuur. De Tweede Kamer telt momenteel 57 vrouwelijke leden. Het is weliswaar geen record – dat werd in 2010 gevestigd met 64 Kamerleden. Maar het is aanzienlijk meer dan de 30 vrouwelijke volksvertegenwoordigers die in 1986 werden beëdigd.

In de gemeenteraden heerst eenzelfde beeld. Na de verkiezingen van 2014 was 28,3 procent van de lokale vertegenwoordigers vrouw; een stijging van twee procent ten opzichte van 2010. Afgezet tegen de totale bevolking met de helft mannen en de helft vrouwen, is nog altijd sprake van een flinke achterstand.

Veel schrijnender wordt het verschil bij de benoemde functies in het openbaar bestuur. Het aantal vrouwelijke burgemeesters blijft al jaren steken op rond de twintig procent. Wordt hierbij ook de grootte van de gemeenten betrokken, dan hangt de verhouding helemaal uit het lood. Onder de zeventien gemeenten met meer dan 150.000 inwoners bevindt zich geen enkele vrouw.

Het is net als in het bedrijfsleven: de arbeidsparticipatie van vrouwen is in Nederland de afgelopen decennia enorm toegenomen, maar in de hogere regionen zet de opmars niet of maar zeer mondjesmaat door. Zeker in openbaar bestuur, dat in enigerlei mate een afspiegeling van de totale bevolking zou moeten vormen, is dit een achterlijke situatie.

Valt er ook iets aan te doen? De mogelijkheid om bewust van bovenaf te sturen is aanzienlijk minder geworden nu gemeenteraden zelf over de benoeming van hun burgemeester gaan. In het verleden, toen de minister het volledig voor het zeggen had, kon deze bij een voordracht de landelijke man-vrouwverhouding meewegen. Bij gemeenteraden gelden andere prioriteiten.

Er zijn te weinig vrouwelijke burgemeesters; er zijn ook te weinig vrouwelijke kandidaten. Daar kunnen vrouwen zelf iets aan doen, opdat zij niet te passeren zijn. Intussen moeten gemeenteraden beseffen dat ze verder moeten kijken dan hun neus lang is.