Zeven vragen over de lage olieprijs

De olieprijs blijft maar dalen, de bodem is nog niet in zicht. Automobilisten en de overheid profiteren.

Foto ANP / Koen van Weel

De Amerikaanse olieprijs zakte dinsdag kortstondig tot onder de 30 dollar, waarmee de invloedrijkste grondstof van de wereldeconomie even zijn laagste punt in 12 jaar bereikte. Energiebazen, oliesjeiks, regeringsleiders, analisten en aandeelhouders: iedereen tuurt naar de koers van de Noordzee-olie (Brent) en de Amerikaanse standaard WTI, maar niemand kan met zekerheid zeggen hoe het verder gaat. Dit zijn nu de belangrijkste vragen.

1. Waarom is de olieprijs zo laag?

Het eenvoudige antwoord is: omdat er te veel olie op de markt is. De oorsprong van de overvloed ligt in de Verenigde Staten waar sinds een aantal jaren verwoed geboord wordt in schaliegesteente om olie en gas te winnen. Dat leverde zoveel olie op dat de Amerikaanse import van olie uit het Midden-Oosten scherp is teruggelopen. Aanvankelijk konden olie-exporterende landen verenigd in de Opec, zoals Saoedi-Arabië, hun olie kwijt in Azië, met name in China. Maar daar werd tegelijkertijd ook steeds meer olie aangeboden uit Rusland en andere niet-Opeclanden. Bovendien begon de economie van China en andere opkomende economieën vast te lopen en bleef de groei achter bij de verwachtingen.

De ontwikkeling van de olieprijs (klik op de pijltjes voor meer informatie):

 

2. Waarom dan geen productiebeperking?

Omdat de olielanden in eerste instantie hun marktaandeel willen verdedigen. Althans, dat is wat het Saoedische koningshuis wil. In het verleden speelde Saoedi-Arabië, met de grootste olievoorraden ter wereld, de rol van balansland binnen de Opec. Als de olieprijzen daalden, draaide Saoedi-Arabië de oliekraan een beetje dicht om de prijs op te drijven. Sinds 2014 doet het land dat niet meer. Nadat de olieprijzen, zowel Noordzee-olie (Brent) als de Amerikaanse WTI, waren gaan dalen in de zomer van 2014, bleef de Opec doorpompen. Ondanks ernstig protest van Nigeria en Venezuela omdat ze de gevolgen van de dalende prijs begonnen te voelen in hun staatskas. In december 2014, toen de Brent op 60 dollar stond, besloot de Opec om gewoon door te blijven pompen. Ook afgelopen december, toen de prijs inmiddels was gedaald naar 40 dollar per vat, wist Saoedi-Arabië van geen wijken en werd de productie gehandhaafd. Olieminister Al Mazrouei van de Verenigde Arabische Emiraten zei dinsdag te verwachten dat het eerste halfjaar nog moeilijk zal zijn, maar dat de oliemarkt zich daarna zal herstellen. De Nigeriaanse olieminister Kachikwu probeert intussen om enkele dissidenten binnen de Opec wel tot een productievermindering te bewegen. De Opec is dus op zijn minst ernstig verdeeld.

Hoe het werkt op de oliemarkt:

Buiten de Opec blijft ook Rusland uit alle macht pompen, omdat het niet anders kan. Het Poetin-bewind is in hoge mate afhankelijk van de olie-inkomsten. Uitgaande van een gemiddelde prijs van 50 dollar per vat, rekent Moskou dit jaar op een begrotingstekort van 3 procent. Met een prijs van 30 dollar wordt het gat 5 procent of meer.

3. Is de bodem nu bereikt?

Energie-econoom Hans van Cleef (ABN Amro) durft niet meer te voorspellen. De prijs wordt niet meer alleen gestuurd door overaanbod. Hedgefondsen speculeren steeds driftiger op een verdere daling. Volgens de Financial Times is er sprake van een recordbelangstelling voor shortposities. „Pas als deze speculanten het gevoel hebben dat de bodem is bereikt, zal de prijs weer stijgen”, zegt Van Cleef. Handelaren bouwen dan hun posities af, of gaan juist weer speculeren op een stijging, wat dan weer doorwerkt in de olieprijs zelf.

Zakenbank Morgan Stanley ziet nog een andere bedreiging: de dollarprijs. De Amerikaanse munt wint aan kracht en dat drukt de olieprijs verder naar beneden, omdat de oliehandel in dollars plaatsvindt. Een prijs van 20 à 25 dollar vindt de bank om deze reden niet denkbeeldig.

4. Waar vallen de klappen?

De hele olie-industrie kreunt omdat de olieprijzen lager zijn geworden dan de productiekosten. Dinsdag stelde het Braziliaanse Petrobras zijn investeringsplannen voor de komende vijf jaar drastisch bij: van 130 miljard dollar naar minder dan 100 miljard dollar. Ook BP maakte dinsdag een nieuwe bezuinigingsronde bekend. Op de Noordzee verdwijnen honderden banen, in totaal schrapt de oliemaatschappij dit jaar 4.000 banen. Maar de malaise treft niet alleen de oliemaatschappijen. Ook olie-gerelateerde bedrijven hebben het zwaar. Bodemonderzoeker Fugro, die onder andere boorlocaties onderzoekt, heeft sinds medio 2014 twee derde van zijn waarde verloren.

Grote klappen vallen ook in de Verenigde Staten, waar de afgelopen jaren enorme bedragen zijn geleend om naar schalie-olie en -gas te kunnen boren. Niet alleen Morgan Stanley, maar ook andere Amerikaanse zakenbanken verwachten dat een derde van de olie- en gasproducenten niet aan zijn verplichtingen kan voldoen. Tenminste, als de olieprijs rond de 30 dollar blijft liggen. Op dit moment verliezen de Amerikaanse producenten gemiddeld 2 miljard dollar per week. De afgelopen maanden is een groot aantal boorputten dan ook dichtgegooid. Maar dat heeft de totale productie nauwelijks beperkt. Analisten zien de vermindering eerder als een efficiencyslag.

5. Wat betekent dit voor Shell?

De Nederlands-Britse oliemaatschappij Shell staat op het punt om de grootste overname uit zijn geschiedenis te doen. Eind deze maand moeten de aandeelhouders hun goedkeuring geven aan de overname van de Britse BG-groep. De overname wordt voor 70 procent in aandelen betaald en 30 procent in cash. Bij de aankondiging, april vorig jaar, werd de hele operatie begroot op ruim 64 miljard euro. Door de waardevermindering van de aandelen van BG is dat inmiddels zo’n 47 miljard euro. Maar de lage olieprijs zaait steeds meer twijfel. Aanvankelijk was de hele deal voor Shell winstgevend bij een olieprijs van 70 dollar per vat. Daarna kwam dat punt door extra bezuinigingen op 60 dollar te liggen, inmiddels geldt ook 50 dollar per vat, gemiddeld over twee jaar, nog als acceptabel. Sommige investeerders noemen de gok riskant, maar de meesten blijven ondanks de lage olieprijzen toch voordelen zien in een samenvoeging van de twee bedrijven.

6. En wat merkt de consument van de lage olieprijs?

Die merkt er nog het minst van. Toen de olieprijs in 2014 begon te zakken kostte een liter euro-benzine aan de pomp 1,85 euro. Nu is dat 1,53 euro. Een daling van 18 procent van de benzineprijs tegenover een daling van 70 procent van de olieprijs. Dat komt deels doordat het altijd even duurt voordat de olieprijs is doorberekend. Maar belangrijker is dat het grootste deel van de benzineprijs bepaald wordt door accijnzen en heffingen (46,4 procent) en btw (17,5 procent). Als er iemand voordeel heeft, is het de overheid, die meer accijnzen ontvangt omdat mensen eerder de auto pakken nu de benzineprijs iets lager is.

7. Loopt het terugdringen van het gebruik van fossiele brandstoffen nu vertraging op?

Feit is dat steeds meer grote beleggers hun geld stoppen in niet-fossiele bestemmingen. Sommige pensioenfondsen en staatsfondsen (zoals het Noorse staatsfonds) investeren helemaal niet meer in steenkool, de brandstof die de meeste uitstoot van CO2 voortbrengt. In Parijs zijn harde afspraken gemaakt om de opwarming van de aarde een halt toe te roepen en de uitstoot van CO2 te beperken. Toch is het niet waarschijnlijk dat de grote beleggers de oliemaatschappijen links zullen laten liggen. Het dividend van bijvoorbeeld Shell levert nog altijd een beter rendement dan sparen bij de bank. Maar het is niet alleen een kwestie van beleggersvertrouwen. Volgens het Internationaal Energie Agentschap (IEA) zullen fossiele brandstoffen, en dus ook olie, in het gunstigste scenario in 2040 nog zeker 60 procent van de energiebehoefte uitmaken. Zonder drastische extra maatregelen om te verduurzamen zal dat zelfs bijna 80 procent zijn.