Ik moet u vertellen: uw man is dood

Hoe vertel je iemand dat hij ongeneeslijk ziek is? Of dat een dierbare is omgekomen? In sommige beroepen hoort dat er gewoon bij.

‘Ik ben blij dat ik uw baan niet heb”, zeggen patiënten weleens tegen Jacqueline Stouthard. Meestal heeft de internist-oncoloog van het Antoni van Leeuwenhoek ziekenhuis dan net uitgelegd dat de kanker is teruggekeerd, dat een behandeling niet aanslaat, of dat de patiënt ongeneeslijk ziek is.

Sommige mensen moeten bijna dagelijks zeer slecht nieuws brengen. Medici, rechercheurs, maar ook medewerkers van Jeugdzorg of Dienst Terugkeer en Vertrek. Hoe pakken zij dit aan? Wat doet dit met hen?

Dirk-Jan Grootenboer, hoofdagent in Dordrecht, weet dat vooral beginnende collega’s moeite hebben met het voeren van een slechtnieuwsgesprek. Een agent ziet veel ellende, en bij een ongeval of misdrijf is hij meestal degene die de familie op de hoogte moet brengen. Als ‘twittercop’ doet Grootenboer openhartig online verslag van zijn ervaringen, op twitter en op zijn blog.

„Nu komt het moment waarop ik haar wereld laat instorten”, schrijft hij op zijn blog. „Hoe leg ik in hemelsnaam uit dat haar man, haar liefde, haar levenspartner er niet meer is?”

Hoofdagent Dirk-Jan Grootenboer. Foto’s Floren van Olden

„Het is heel belangrijk te realiseren dat je slechts de boodschapper bent van het slechte nieuws en niet de veroorzaker ervan”, zegt Stouthard. Ze is betrokken bij de diagnostiek en begeleiding van patiënten. Daarnaast begeleidt ze artsen in opleiding, onder meer in gespreksvoering. Aan hen wil ze vooral overbrengen: het akelige feit van een ziekte ligt er nu eenmaal, hoe ga je van daaruit verder?

Vraag wat de ontvanger prettig vindt

Twee zaken zijn essentieel bij een slechtnieuwsgesprek, zeggen zowel Stouthard als Grootenboer. De boodschap moet duidelijk zijn, dat geeft houvast. En hoe je deze brengt, moet je afstemmen op de ontvanger.

„Het signaleren van andermans behoefte en daar je communicatie op aanpassen is heel belangrijk”, benadrukt Stouthard. Ervaring speelt daarbij een grote rol, maar je kunt ook expliciet vragen wat de patiënt prettig vindt. „Sommigen hebben het nodig dat je beslissingen voor hen neemt, anderen trekken meer naar zichzelf toe. Soms zijn mensen heel mondig, maar geconfronteerd met een nare vorm van kanker kunnen zij alle mondigheid verliezen.”

Ingrid Caubergh is gezondheidswetenschapper en traint al vijftien jaar medici en andere hulpverleners in het voeren van slechtnieuwsgesprekken. Volgens haar wordt een hulpverlener in eerste instantie beoordeeld op de manier waarop hij een gesprek voert. Inhoudelijk en feitelijk helemaal up-to-date zijn, is nog geen garantie voor een goed gesprek. Om de boodschap goed over te brengen geeft ook zij haar cursisten de tip het nieuws kort en zakelijk te brengen, meteen aan het begin van het gesprek. Geen koetjes en kalfjes en geen verhullend taalgebruik.

Het moeilijkst vinden hulpverleners het vaak om een stilte te laten vallen, om hun mond te houden, nadat ze het slechte nieuws hebben gebracht. Logisch, zegt Caubergh, ze zijn zelf soms ook nerveus en dan begin je vaak te praten. „Maar onderschat de waarde van stilte niet. Laat de boodschap rustig inwerken en vang zo mogelijk de emoties op. Pas daarna kan er ruimte zijn voor vragen, voor meer informatie of misschien troost.”

Open en empathisch

„Het moment stil maken”, noemt Grootenboer dat. „Luisteren, er niet boven gaan staan. En durf mee te gaan in de sfeer van het huis.”

 Internist-oncoloog Jacqueline Stouthard

Elk slechtnieuwsgesprek begint bij hem met de vraag: mag ik even binnenkomen? Meestal is er eerst een moment van schrik, van ongeloof. Daarna verloopt ieder gesprek anders. Snel kunnen schakelen vindt hij van groot belang. Een open houding hebben, en empathisch vermogen.

Ook Stouthard noemt empathie als een belangrijke eigenschap. „Maar je bent niet de buurvrouw. Meehuilen hoeft niet.” Al gebeurt dat soms toch, als een situatie intens verdrietig is, of heel dichtbij komt. Stouthard herinnert zich een moeder met vergevorderde borstkanker die zich realiseerde dat ze nooit met haar toen driejarige dochter zou gaan winkelen. „Ik had zelf een dochter van die leeftijd. Dan houd je het echt niet droog.”

Grootenboer heeft al de meest uiteenlopende, tragische dingen meegemaakt. Een kind dat thuis was toen zijn drugsverslaafde vader zich in het trapgat verhing. Een jonge, homoseksuele jongen die zelfmoord pleegde, van wie de strenggelovige familie niet mocht weten wat er speelde. Gescheiden rouw bij een moslimfamilie: de mannen apart, zwijgend, de vrouwen hysterisch. Een bus vol huilende Congolese vrouwen. „Je wordt een soort kameleon”, zegt hij. „Bij iedere situatie hoort een ander gezicht.”

Wordt al die narigheid hen niet te veel? Wat doet het met je, om bijna dagelijks slecht nieuws te moeten brengen? Marc van Veldhoven, hoogleraar arbeidspsychologie aan de Universiteit van Tilburg, doet veel onderzoek naar emotionele arbeidsbelasting. Mensen zijn robuust, weet hij, zeker de mensen die kiezen voor dit soort beroepen. Een kleine groep ervaart het werk uiteindelijk als té belastend, maar dat is bijna altijd een cumulatie van ervaringen en privéomstandigheden: 

Je kunt hier geen getal op plakken, het is iets heel dynamisch.

Van Veldhoven ziet dat zelfbewustzijn en zelfzorg hard nodig zijn. „Je moet jezelf goed genoeg kennen om te kunnen inschatten wanneer het te veel wordt.” Grootenboer: „De laatste jaren is er meer aandacht voor mentale weerbaarheid. Dat kan heel praktisch zijn, met ademhalings- of hartslagoefeningen. Maar je leert ook onderling signaleren en zaken benoemen. Het taboe op kwetsbaarheid wordt langzaamaan minder.”

Handleiding van het Integraal Kankercentrum Nederland voor artsen en verpleegkundigen:

slecht-nieuws-gesprek-(iknl-2012)-

Nu even niet

Collega’s houden elkaar vaak scherp in de gaten. Ze vragen elkaar of het nog gaat, letten op of iemand niet te veel op zijn bord krijgt gedurende een werkweek. „Soms moet je ook ‘nu even niet’ kunnen zeggen”, vindt Van Veldhoven. „Dat wordt gelukkig steeds meer bespreekbaar. Het is belangrijk dat er plekken zijn waar je met je verhaal naartoe kunt. Dat kan een vertrouwenspersoon of psycholoog zijn, maar vaak ontstaat zoiets ook informeel.”

Grootenboer en Stouthard zien het als part of the job. „Hier in het Antoni van Leeuwenhoek is men gewend aan slechtnieuwsgesprekken”, zegt Stouthard.

Als je dat niet kunt, houd je het niet lang vol. Artsen die hier werken, selecteren zichzelf uit op deze kwaliteit.

De graadmeter voor Grootenboer is: heb ik iets kunnen betekenen? „Een slechtnieuwsgesprek kan heel hard zijn. Toch vind ik het een van de mooiste dingen van mijn vak. Als een gesprek goed verloopt, kan ik met een gerust hart slapen. Elk gesprek is moeilijk, maar je bent van onschatbare waarde op een breekpunt in iemands leven. Soms krijgen we achteraf een bedankje voor ons optreden. Dat is heel bijzonder.”