Ik ben niet voor niets een ouwe Dolle Mina

Er is geen plek voor mijn woede over Keulen zonder mee te doen aan vreemdelingenhaat, schrijft Selma Leydesdorff.

Leden van de actie groep ‘De Dolle Mina’ worden naar buiten gewerkt op Kasteel Nijenrode. Foto Jacques Klok/ ANP

Ooit was er een wereld waarin vrouwen niet vrij waren, niet konden beschikken over hun leven en waarin het voor mannen vrij jagen op vrouwen was. Dat was ook een wereld waarin er maar één soort seksueel gedrag bestond. Als je jong was ging een meisje wat uit vrijen met jongens en nadien trouwde je. Het was een vastliggende wereld, waarin je geacht werd op een gegeven moment op te houden met werken, en waarin er geen publieke ruimte voor vrouwen bestond.

Het is nog maar kort geleden en ik ben in die onvrijheid opgevoed. Het korset van de conventie knapte tijdens mijn jeugd, we wilden meer en we wilden anders.

Daarom behoorde ik tot de medeoprichters van Dolle Mina. Ik wilde een andere toekomst, ik wilde studeren, een baan en ik wilde zelf beslissen. Er moest ruimte komen voor betaald werk voor vrouwen en ik wilde andere verhoudingen tussen vrouwen en mannen.

Vrouwen moesten zelf bepalen of en wanneer je kinderen wilde, en de pil hielp het verloop van jouw eigen leven te bepalen. De wereld werd maakbaar en veranderbaar. Niets sprak meer vanzelf en sindsdien denken we anders en ziet het leven van vrouwen er totaal anders uit.

De dominantie van mannen is niet verdwenen maar vrouwen hebben kansen. Zo is de universiteit, waar ik werk, niet langer een bastion van mannenmacht en is de tijd waarin ik vergaderde met bijna uitsluitend mannen verleden tijd.

Ook al zijn vrouwen er nog lang niet, toch voltrok zich in het Westen een grote culturele omwenteling; eentje waaraan ook ik soms moet wennen. Ik heb bijvoorbeeld de afgelopen 45 jaar geleerd niet bang te zijn als ik alleen ’s nachts op straat ben, maar ik kijk goed uit.

Opeens was er Keulen – en er was een overheid waarop je kennelijk als vrouw niet kan vertrouwen.

Het beperkte zich niet tot Keulen en niemand die garandeert dat de ellende en agressie ook niet hier gebeuren. Ook al is geweld tegen vrouwen al die jaren blijven bestaan, toch voel ik me overvallen. Ik ben boos, maar ik kan niets met dat gevoel.

Hoe vermijd ik te vervallen in (extreem-) rechtse praatjes over Arabische mannen? Hoe schaar ik me niet achter gemakzuchtige vooroordelen?

Tegelijk ben ik woedend dat na al die jaren geloof in een betere wereld vrouwen wordt aangeraden niet in een rok over straat te lopen en zich te laten begeleiden als ze uitgaan.

Ik ben overvallen omdat ze(wij) opnieuw bang moeten zijn. Van de week vroeg ik me na de vreselijke uitspraken van de Keulse politiechef paranoïde af wanneer we weer allemaal thuis zouden moeten zitten.

Natuurlijk komt het niet zo ver, en ook Nederlandse gezagdragers garanderen dat en spreken de juiste taal. Ik vertrouw ze niet allemaal.

Bewust schrijf ik ‘we’, want er is opeens na jaren van postfeminisme een ‘wij vrouwen’. Maar hoe kan dat zich uiten, waar is de vrouwenbeweging? Waar zijn ‘onze’ morele leidsters? Ik weet meer dan wie ook dat juist de vrouwenbeweging leiderschap verafschuwt, hoewel er steeds informele leiding is geweest.

Het gebrek aan leiderschap breekt vrouwen nu op. Ik zou wat willen doen en als er een nette demonstratie in Keulen zou worden uitgeschreven, zou ik mee willen brullen dat de openbare ruimte ook van ‘ons’ is. Ik ben niet voor niets een ouwe Dolle Mina.

Ik wil niet meedoen met een demo van Pegida, ik verafschuw die mensen. Ik doe niet mee met een hetze tegen buitenlanders. Maar ik vraag me af waarom die aanranders niet al lang in de gevangenis zitten, terwijl ze op het moment waarop ik dit schrijf kennelijk wel bij de politie bekend zijn. Die vraag wil ik gerust scanderen op straat.

Maar nu ben ik stil, want er is geen plek voor mijn woede zonder mee te doen aan vreemdelingenhaat.

Ik ben machteloos en kan mijn boosheid niet uiten zonder mee te doen aan onzinnige haat tegen allen die hier een veilig onderkomen zoeken.