Taboe is weg: in oorlog zijn nu ook ziekenhuizen doelwit

Dit weekend was het weer raak: een ziekenhuis van AzG in Noord-Jemen werd getroffen door bommen. Hulpverleners slaan alarm. Ook elders wordt het oorlogsrecht geschonden.

De kliniek van Artsen zonder Grenzen in de Afghaanse stad Kunduz na het Amerikaanse luchtbombardement. Foto Najim Rahim.AFP

Het Internationale Rode Kruis en Artsen zonder Grenzen (AzG) slaan alarm over het groeiend aantal aanvallen op hun faciliteiten en hun personeel door strijdende partijen in oorlogsgebieden. Steeds minder houden die zich aan het internationaal humanitair oorlogsrecht, dat strijdende partijen verplicht medische hulpverleners te ontzien.

Dit weekend was het weer raak bij een ziekenhuis van Artsen zonder Grenzen in het noorden van Jemen, waarschijnlijk als gevolg van een luchtbombardement van een coalitie onder leiding van Saoedi-Arabië. Ten minste vier mensen kwamen om het leven en tien raakten gewond.

Overzicht van aanvallen afgelopen half jaar:

„Het is niet mogelijk dat wie dan ook met de capaciteit een luchtaanval uit te voeren of raket af te schieten niet zou hebben geweten dat het Shiara-ziekenhuis een functionerende gezondheidsfaciliteit was, die essentiële hulp verleende en werd gesteund door AzG”, zei Raquel Ayora, directeur operaties van AzG in de regio.

Het was al de derde grote aanval op een AzG-ziekenhuis in Jemen in drie maanden. Yves Daccord, directeur-generaal van het Internationale Rode Kruis, zei eind vorig jaar tegen NRC dat in het door burgeroorlog geteisterde Jemen in één jaar 140 aanvallen op medische faciliteiten waren geregistreerd.

Maar ook in landen als Afghanistan, Syrië, Irak, Somalië, Zuid-Soedan en de Centraal-Afrikaanse Republiek zijn zulke incidenten geen uitzondering. Het schokkendste recente voorbeeld was het Amerikaanse bombardement in oktober 2015 op een AzG-kliniek in Kunduz, in het noorden van Afghanistan. Daarbij kwamen zeker 42 mensen om.

„Gezondheidsfaciliteiten worden tegenwoordig vaak systematisch aangevallen”, aldus Daccord. Vroeger ontzagen de strijdende partijen doorgaans medische hulpverleners, zoals ook in tal van internationale conventies is vastgelegd. „Het taboe dat daarop lag is verdwenen”, aldus de ICRC-directeur.

„Dat moeten we op de een of andere manier zien te herstellen.”

Internationaal recht onder druk

Hij krijgt bijval van Katrien Coppens, adjunct-directeur van AzG in Amsterdam. „We zien het hele beschermende internationale rechtskader onder druk staan”, zegt ze. „Van het asielrecht tot het humanitair oorlogsrecht. Dat baart ons grote zorgen. Mensen snapten dat wij artsen waren en gewonden wilden helpen en dat je dan niet bij de poort kon vragen van welke groep of stam een gewonde was. In landen als Syrië en Jemen werkt dat niet meer.”

Ook al zijn de gps-coördinaten doorgegeven aan de strijdende partijen en zijn de gebouwen duidelijk gemarkeerd als medische faciliteiten, toch worden ziekenhuizen in die landen regelmatig beschoten. „De regeringen redeneren vaak: waar rebellen zijn, is alles om hen heen een legitiem doelwit, ongeacht wie of wat er aan de andere kant zit”, zegt Coppens. „Alles aan de andere kant is de vijand.”

Ook in Kunduz liep het volgens Coppens zo. „Dat was een bewuste aanval vanuit de lucht, alleen op ons ziekenhuis, anderhalf uur lang. Mensen die vluchtten werden neergeschoten. ‘Oeps! Foutje’, zeggen de Amerikanen nu. Ze hebben excuses aangeboden, maar we wachten nog op hun rapport.”

Opstandelingen laten zich overigens net zo weinig aan de internationale verdragen gelegen liggen als veel regeringen. Zeker Islamitische Staat en aan Al-Qaeda gelieerde radicale moslimorganisaties.

Het afgenomen respect voor humanitaire hulpverleners heeft te maken met het feit dat oorlogen ingrijpend van aard zijn veranderd. Waren het vroeger staten die oorlogen met elkaar uitvochten, nu gaat het veelal om opstanden tegen de regering in eigen land. De bevolking, althans een deel daarvan, wordt zo de vijand. Coppens: „Dan vervaagt het beeld van de strijdende partijen en van ziekenhuizen als neutrale zones in oorlogsgebied.” Ook speelt volgens haar een rol dat regeringen de neiging hebben hun tegenstanders als terroristen af te schilderen.

Wie zijn vaakst slachtoffer van geweld:

AzG in Kunduz trok zich terug na de aanval van oktober. Zo’n keuze is vaak niet makkelijk, omdat zonder hun hulp gewonden en zieken niemand meer hebben om op terug te vallen: „In Zuid-Soedan is ons ziekenhuis twee keer beroofd”, vertelt Coppens. „Wat doe je dan?”

Het Internationale Rode Kruis en de Rode Halve Maan, de zusterorganisaties in islamitische landen, en AzG breken zich het hoofd over hoe ze het respect voor medische hulpverleners kunnen verhogen in het huidige klimaat.

Daccord en Coppens bepleiten dat de internationale gemeenschap zo krachtig mogelijk bestaande verdragen bevestigt en zich eraan houdt. Vorige maand tijdens een grote internationale conferentie van het Rode Kruis in Genève werden de deelnemende staten het ondanks vier jaar vooroverleg echter niet eens over de versterking van het internationaal humanitair recht. Coppens: „Probleem is dat we respect voor zulke regels niet kunnen afdwingen.” Daccord zou het toejuichen als meer strijders die zich misdragen worden bestraft. „Als ze weten dat ze echt bestraft kunnen worden, passen mensen hun gedrag wel aan”, denkt Daccord.