Column

‘I feel sad’

De mooie tentoonstelling over Vincent van Gogh en Edvard Munch in het Van Gogh Museum loopt komende zondag af. Laatste kans, heet dat. Ik had het bezoek ook lang uitgesteld, omdat ik nogal opzag tegen de drukte. Ten slotte reserveerde ik een kaartje voor een vroeg tijdstip – tien uur op een doordeweekse ochtend – en waagde het erop.

Het bleek al behoorlijk druk, maar de menigte was nog, hoe zal ik dat zeggen, doorwaadbaar. Toch hoorde ik een oudere bezoekster tegen een gids van het museum zeggen: „Wat is het toch druk!” „Maar mevrouw”, reageerde de gids, „dit valt nog mee, het is hier normaal véél drukker.”

Goed, we weten inmiddels dat we zoiets als bezoeker van dit type tentoonstelling kunnen verwachten en we zullen er ons bij neer moeten leggen. Toch fantaseer ik tijdens zo’n bezoek weleens hoe geweldig het moet zijn om daar als personeelslid buiten de openingstijden in stilte rond te lopen en ongehinderd te kunnen kijken. In je eentje naar De Schreeuw kijken – en dan zachtjes terugschreeuwen.

Concentratie is in deze volle musea moeilijk op te brengen, er is zoveel wat je afleidt. In de twee uur die ik er doorbracht, telde ik alleen al drie groepsrondleidingen. De gidsen zijn toegewijde kenners die vakkundig commentaar leveren, maar toch moet je even slikken als je net een verstild schilderij staat te bewonderen en plotseling een luide stem naast je zegt: Vincent van Gogh heeft niet zozeer één stijl, het hangt bij hem af van het onderwerp. Nu geldt dat in zekere zin ook voor Munch, maar…”

Je vlucht verder, maar de doordringende stem komt achter je aan en roept, terwijl je bij een somber zelfportret van Munch bent beland: „De schilder heeft allerlei middelen tot zijn beschikking. Kleur, verflagen, compositie, diepte, lijnvoering…” „Licht”, voegt een luisteraar toe. „Licht”, neemt de gids dankbaar over, „al die middelen heeft de schilder tot zijn beschikking om zijn ding te doen. U heeft gezien dat Vincent een lekkere vette laag aanbracht.”

Er zijn gidsen die er een pittig schoolklasje van maken, ook als ze zomaar een groepje willekeurige volwassen bezoekers rondleiden. Ik hoorde zo’n gids van het museum plotseling vragen: „Wat laat Munch hier zien?” „Hij vindt het vreselijk”, antwoordde een vrouw. Een adequate reactie, want ook als Munch in een keurig restaurant achter een goed gevuld glas wijn zit, kijkt hij als iemand die vooral naar zijn graf verlangt.

Staande voor Het Gele Huis van Van Gogh en Rode Wingerd van Munch vroeg de gids aan een man vooraan (ga nooit vooraan staan!): „Welk vindt u het mooist?” De man wees naar de Van Gogh. „Waarom?”, vroeg de gids. „Door het geel”, zei de man.

Ja, ook als bezoeker van zo’n tentoonstelling moet je er tegenwoordig hard voor werken. Zo had de museumleiding de bezoekers gevraagd kaartjes met een persoonlijke waardering achter te laten. Ze werden opgehangen in het trappenhuis. Dat klinkt nogal suïcidaal, maar die indruk wekten sommige kaartjes dan ook.

I’m afraid that I will never fall in love”, schreef iemand, „without that I will never be finished.” En een ander: „I am afraid of being alone. I fell in love for the last time in september. I feel sad.”

Eigenlijk zouden musea gidsen moeten hebben die bedroefde bezoekers naar huis kunnen begeleiden, vooral als ze te veel Munch hebben gezien.