Geen persoonlijke band

Alles werd geregeld: een huis, inschrijving bij de gemeente, gereedschap en arbeidsbemiddeling. Bewijzen dat de Slowaken eigenlijk in dienst waren van de bv waarmee ze een overeenkomst van onderaanneming hadden gesloten, was dan ook niet zo ingewikkeld. Ze waren duidelijk geen zelfstandigen, dus moest er loonbelasting worden betaald. Dacht de Belastingdienst.

De onderaannemer dacht daar anders over, gesteund door de rechter in twee instanties. De praktische zaken werden namelijk geregeld door een andere, gelieerde bv, die volgens het hof Arnhem-Leeuwarden niet te vereenzelvigen was met de onderaannemer.

En die afhankelijkheid dan, voerde de belastinginspecteur aan. Ze onderhandelen niet zelfstandig over de prijs, lopen geen risico bij een verkeerde inschatting van de hoeveelheid werk en beschikken niet zelf over materiaal.

Allemaal goed en wel, maar de gezagsverhouding is doorslaggevend, oordeelde het hof. En die ontbrak. De inspecteur kon namelijk niet precies aanwijzen welke medewerker van de onderaannemer instructies gaf en het was de hoofdaannemer die toezicht hield op de bouwplaats.

Bovendien was aan een ander belangrijk criterium, het persoonlijk verrichten van de werkzaamheden, evenmin voldaan. Volgens de overeenkomst konden de Slowaken zich alleen met uitdrukkelijke toestemming laten vervangen, maar in de praktijk werd daar nooit om gevraagd. De vervanging werd onderling geregeld; het ging de onderaannemer er vooral om dat het werk op tijd af kwam.

Nu de instructies en de persoonlijke band ontbraken, was er van een dienstverband volgens het hof geen sprake.