Een godsgeschenk met gemene kartelrandjes

Carolein Smit, Apocalyptische ruiter, 2013 Foto Museum beelden aan zee

Wat was er eerst? De wens van Museum Beelden aan Zee om een tentoonstelling te maken over het skelet in de hedendaagse kunst? Of was er de drang van verzamelaar Bert Kreuk om een aantal eigen kunstwerken in een museale context te presenteren? Kreuk is de man van het proces tegen de Vietnamese kunstenaar Danh Vo en de geruchtmakende verkoop van een deel van zijn collectie na een tentoonstelling in het Gemeentemuseum. In het persbericht dat Museum Beelden aan Zee verstuurde ter gelegenheid van de grote tentoonstelling Skelet stond het onomwonden: deze expositie met zo’n vijftig beelden van internationale kunstenaars was het resultaat van een ‘nauwe samenwerking met Kreuk’. De verzamelaar had vijf grote werken in bruikleen afgestaan en daarnaast een sleutelwerk van de Amerikaanse kunstenaar Matthew Day Jackson aan het museum geschonken. In totaal was met de schenkingen van Kreuk, aldus het persbericht, ‘een bedrag van 400.000 euro gemoeid’.

Hartstikke goed. Supervrijgevig. Iedereen blij, toch? Nu musea hun budget zien krimpen en voor aankopen van internationale kunstenaars geen geld meer hebben, is zo’n gulle gever een godsgeschenk. Maar dat er aan zo’n geschenk ook gemene kartelrandjes zitten, blijkt in Den Haag.

Skelet is niet per se mislukt. Het is een onderhoudende expositie, afwisselend, propvol, met werk dat alle kanten op gaat. Van de allersimpelste visgraat die goeroe Joseph Beuys ooit in een kartonnen doosje stopte, tot een prachtige verchroomde bronzen schedel van Marc Quinn die bloeiende orchideeën uit neus-, oog- en mondholte laat tieren. Mens en dier, een beetje toekomst en heel veel verleden – alles mag meedoen.

De organisatoren hebben vier globale thema’s onderscheiden, maar die lopen door elkaar heen en werkelijke verdieping is er nergens. Er zijn hippe sterren – oogverblindende werken van Matthew Day Jackson die iets zeggen over eeuwigheid en menselijk verlies – naast kunstenaars die zich op de rand van de decadente kitsch bewegen. Er zijn werken die hun boodschap zo plat als een dubbeltje maken. En er zijn gelukkig ook kunstenaars die hun verbeelding laten zegevieren en niets tonen wat je met een skelet associeert (Amer Ghada, Anthony Gormley).

De grootste teleurstelling van deze tentoonstelling is het museum zelf, dat met zo weinig ambitie genoegen neemt. Er is geen heldere selectie van kunstenaars, geen catalogus, de zaalteksten blinken uit in een soort gemelijke oppervlakkigheid. En de tekst in het museummagazine laat vooral zien dat deze expositie een gelegenheidsding is. De kunstwerken zijn op een presenteerblaadje aangeboden, er was nog veel in het depot, en er waren ook nog een paar galeries die werk wilden uitlenen.