Column

De waarschuwende woorden van Juncker snijden hout

De geschiedenis lijkt zich te herhalen. Nederland staat aan de vooravond van een raadgevend referendum over een Europees onderwerp en wederom klinken de meest onheilspellende voorspellingen. Volgens voorzitter Juncker van de Europese Commissie zal een ‘nee’ van de Nederlandse bevolking tegen het associatieverdrag tussen de Europese Unie en Oekraïne de deur openen „naar een grote continentale crisis”.

In 2005 klonken vergelijkbare waarschuwingen, toen Nederland zich met een volksraadpleging kon uitspreken over de Europese Grondwet. Afwijzing zou leiden tot oorlog (toenmalig minister van Justitie Donner) of licht dat zou uitgaan (zijn collega Brinkhorst van Economische Zaken). De uitslag was nee, maar oorlog bleef uit en ook het licht in de huiskamers bleef branden.

Nagenoeg Kamerbreed was de afwijzing van de „dreigende taal” van de voorzitter van de Europese Commissie in een vraaggesprek met deze krant. De voorstanders van het associatieverdrag met Oekraïne vrezen dat de waarschuwende woorden contraproductief zullen uitpakken. De tegenstanders van het verdrag vragen zich af waar Juncker zich mee bemoeit.

Waarom mag de voorzitter van de Europese Commissie zich niet uitspreken over het verdrag tussen de Unie en Oekraïne? Het is bij uitstek een Europese kwestie waarbij de Commissie een belangrijke partij is. Over Junckers inhoudelijke argument: als de gevolgen van een Nederlands nee in hun uiterste consequentie worden doorgetrokken is een continentale crisis inderdaad niet ondenkbeeldig. Het zou immers betekenen dat de Europese Unie Oekraïne loslaat, wat Rusland graag ziet gebeuren.

Juncker heeft met zijn woorden duidelijk willen maken dat het ogenschijnlijk ludiek begonnen referendum wel degelijk een belangrijke kwestie betreft die de politiek van de Nederlandse polder ver te boven gaat. Met de vraag over de samenwerkingsband tussen de Europese Unie en Oekraïne zijn de geopolitieke verhoudingen wel degelijk aan de orde.

Maar het valt te betwijfelen of dit besef bij het kabinet bestaat. Er valt vooral een uiterst passieve houding te bespeuren. Uitleggen waarom men voor het associatieverdrag is wil het kabinet wel, maar voluit campagne voeren voor een ja, blijkt te veel gevraagd. Ook hier lijkt de geschiedenis van 2005 zich te herhalen toen het kabinet in het debat over de Europese Grondwet een vooral defensieve positie innam. De uitkomst van dat referendum was een overtuigend nee. Met de lakse en haast angstige opstelling van het kabinet zit zo’n nee er weer aan te komen.