Bowies zwanenzang kondigt zijn dood aan

David Bowie, die zondag overleed, was een popcultureel fenomeen. Een special over de invloed die hij, generatie na generatie, op de popmuziek en ook op de mode en film had.

David Bowie in 1995, Foto Gavin Evans/Corbis Outline

‘Look up here, I’m in heaven”, is de eerste regel van Lazarus, David Bowies nieuwe single van het album Blackstar dat die afgelopen vrijdag uitkwam. Met zijn zwanenzang schaart Bowie zich in de lange reeks overleden popsterren – van Sam Cooke tot Bob Marley en van Jimi Hendrix tot Kurt Cobain – wier laatste nummer hun dood aankondigt.

Met onder meer de aan aids gestorven Freddie Mercury, die in 1991 tijdens de laatste maanden van zijn leven werkte aan nieuwe, melancholieke en onheilzwangere nummers, behoort Bowie nu tot het selecte gezelschap popsterren die hun zwanenzang zongen in de wetenschap dat ze spoedig zouden sterven. Anders dan Mercury, die zo snel verzwakte dat hij zijn laatste nummers niet kon voltooien, heeft Bowie, die al anderhalf jaar aan kanker leed, zijn zwanenzangen en -clips tot in de puntjes verzorgd en er een indrukwekkend geheel van gemaakt.

Niet alleen Lazarus, genoemd naar de man die volgens het evangelie van Johannes door Jezus van Nazareth uit de dood wordt opgewekt, kondigt Bowies dood aan, ook andere nummers van zijn vorige week verschenen album Blackstar. Ook het titelnummer staat bijvoorbeeld in het teken van doem en dood. In de cryptische tekst is sprake van een executie en „iets dat gebeurde op de dag dat hij stierf”. „Spirit rose a metre and stepped aside/ Somebody else took his place, and bravely cried/ (I’m a blackstar, I’m a blackstar).”

Even cryptisch en ook even onheilspellend als de tekst is de videoclip bij Blackstar. Sinds de clip begin november uitkwam is er vooral op internet eindeloos gespeculeerd over de precieze betekenis van de precies tien minuten durende film, waarin een geblinddoekte David Bowie voorkomt met twee knopen op de plaatsen van zijn ogen.

Vooral het begin van de clip deed me denken aan The Dawn of Man, de schemerige openingsscène van 2001: A Space Odyssey . In het begin van Stanley Kubricks beroemde science-fictionfilm uit 1968 ontdekt een groep mensapen op een ochtend dat er een geheimzinnige zwarte zerk is geland in het kale, rotsige land waar ze leven. Later in de film duikt deze ‘monoliet’ weer op als een astronaut op zijn sterfbed ligt.

Blackstar begint met een astronaut – Major Tom uit Bowies Space Oddity uit 1969? – die tegen een rots ligt. Een vrouw met een lange apenstaart gaat naar hem toe, doet zijn helm open en haalt er een schedel uit. Later in de film wordt de schedel vereerd door dansende meisjes. Bowie zelf houdt herhaalde malen een bijbelachtig boek met een zwarte ster op de kaft omhoog: het is sprekend de zerk uit 2001.

In de clip bij Lazarus komt dezelfde geblinddoekte Bowie voor als in Blackstar. Maar dit keer gaan clip én tekst ondubbelzinnig over de dood. Een magere Bowie ligt in een metalen bed en zweeft na enige tijd iets boven het matras, alsof hij begint aan de reis naar de hemel waar hij in de eerste regel zegt te zijn. Later in de clip zit Bowie aan een tafel een brief te schrijven. Na voltooiing stapt hij in een kast – het laatste dat we van hem zien is zijn hand die de kastdeur van binnenuit dichttrekt.

Ook de tekst laat niets te raden over. In het middendeel van het nummer zingt Bowie nog „Look up here, man, I’m in danger”, maar aan het einde heeft hij vrede met de dood. „Oh I’ll be free/ Just like that bluebird/ Oh I’ll be free/ Ain’t that just like me”, zijn de laatste regels van zijn zwanenzang.