Zo leer je Tolstoj pas echt kennen

In de nieuwe vertaling van zijn verhalen komt Tolstoj over als een hedendaagse schrijver. Ook lijken zijn personages nog indringender te zijn geworden dan ze al waren.

Graaf Lev Nikolajevitsj Tolstoj, geportretteerd door de Poolse schilder Jan Styka, ca.1905 Foto Culture Club/Getty Images

Een vunzige, verderfelijke, hoogmoedige zondaar. Of eenvoudiger gezegd, een seksmaniak, die zich amper kon beheersen om niet iedere vrouw te bespringen. Zo’n mens was Lev Tolstoj in de eerste helft van zijn leven. En hij walgde ervan, vanaf de dag dat hij zich als schatrijke twintiger overgaf aan gokken, hoerenlopen en etnische zuiveringen op de Kaukasus.

In zijn dagboeken heeft Tolstoj het uitvoerig over die zelfhaat, die zich vaak uit in zondebesef en verveling. Na de dood van zijn broer Nikolaj in 1860 komt daar nog zijn overtuiging bij dat het leven volstrekt zinloos is. ‘Alles is leugen en bedrog, de waarheid is ontstellend’, schrijft hij over die gebeurtenis aan de schrijver Afanasi Fet.

Op grond van zijn dagboeken en brieven verbaast het je dat Tolstoj geen zelfmoord heeft gepleegd. Plannen daartoe had hij regelmatig, totdat hij inzag dat hij er te laf voor was. In plaats daarvan besloot hij, als militair in de Krimoorlog (1853-’56), zijn weerzin tegen het leven in literatuur te gieten, met zijn jeugdherinneringen als overweldigend debuut.

In 2006 nam uitgeverij Van Oorschot de aftrap voor een nieuwe Tolstoj-editie in de Russische bibliotheek met de vertaling van Oorlog en vrede door Yolanda Bloemen en Marja Wiebes. Samen met Froukje Slofstra hebben zij nu in twee delen Tolstojs belangrijkste verhalen bijeengebracht en vertaald. Dat laatste was hard nodig. De bestaande vertalingen van Hans Leerink, Bessie Schadee en Charles B. Timmer dateren uit de jaren 1965-’70 en zijn stroef geworden. Daarentegen leest de ‘nieuwe Tolstoj’ als een hedendaagse schrijver, zo soepel en levendig is zijn mooie en eenvoudige Russisch in het Nederlands overgebracht. Ook is het alsof zijn personages met hun ingewikkelde psyche nog indringender zijn geworden dan ze al waren. De twee delen vormen aldus een waardig eerbetoon aan Tolstoj als geniaal verhalenschrijver.

Inzicht in zijn gekwelde geest

Lag in deel 1 de nadruk op zijn vertellingen over de Krimoorlog en zijn andere belevenissen als militair, het onlangs verschenen deel 2 geeft je, als in een biografie, inzicht in Tolstojs gekwelde geest. Alsof de hoofdpersonen uit de zestien opgenomen verhalen tezamen één groot zelfportret vormen.

Zo gaat het eerste verhaal, ‘Polikoejska’, over de stalknecht Polikej, een dief en een dronkenlap, wiens enige talent eruit bestaat dat hij zieke paarden kan genezen. Op een dag stuurt zijn meesteres hem naar de stad om een grote soms gelds bij een koopman te innen. Niet eerder heeft Polikej zich zo gewichtig gevoeld. En daarom is hij vastbesloten zijn taak serieus te vervullen en de fles te laten staan. De opdracht van de landeigenares is een loutering voor Polikej: het boefje wordt een eerlijk mens. Maar dan grijpt de schrijver in. Plichtsbesef put Polikej zo uit, dat hij op de terugweg in zijn reiswagentje in slaap sukkelt en het geld verliest. Eenmaal thuis, verhangt hij zich uit wanhoop, waarna zijn vrouw op slag krankzinnig wordt.

Wanneer diezelfde dag het geld wordt teruggevonden blijkt Polikejs zelfmoord voor niets te zijn geweest. De landeigenares, geschokt door het drama, wil het geld niet meer hebben, omdat het ongeluk heeft gebracht. Ze schenkt het daarom aan de eerlijke vinder, de boer Doetlov, die er zijn geliefde neef mee vrijkoopt, die in Polikejs plaats naar het leger werd gestuurd. Einde verhaal.

Het klinkt simpel, zoals bij Tolstoj bijna altijd het geval is. En toch wordt hier in zestig bladzijden de wereldbeschouwing van de schrijver aan je geopenbaard.

Hetzelfde overkomt je in het verhaal ‘Cholstomer’. Hierin kijkt de bejaarde ruin Cholstomer terug op zijn leven. Eens was hij het beste paard van stal, telg uit een oud geslacht, bewonderd om zijn vacht en snelheid. Maar Cholstomer valt uit de gratie, wanneer hij op de renbaan het lievelingspaard van de graaf inhaalt. Het is het begin van zijn ondergang, die eindigt bij de paardenslager. Op een onbevredigde liefde voor een mooie merrie na, is bijna alles voor niets geweest.

De hoogtepunten in dit deel zijn vier langere verhalen: ‘De dood van Ivan Iljitsj’, ‘De Kreutzersonate’, ‘De duivel’ en ‘Vader Sergius’. Ook hier draait alles om de zinloosheid van het bestaan. Tolstoj weet het op zo’n indringende manier te verbeelden, dat je het na lezing niet meer van je af kunt schudden. Hoe genadeloos zet hij niet het leven van rechtbankpresident Ivan Iljitsj Golovin neer, door eerst te beschrijven hoe egoïstisch en achteloos zijn naaste collega’s op het bericht van zijn vroege overlijden reageren? Er komt ten slotte een hoge functie vrij, wat iedereen nieuwe promotiekansen biedt. Tolstoj beschrijft het met een herkenbaar en vermakelijk cynisme.

Vervolgens schetst hij Ivan Iljitsj’ eerdere leven, dat niet verschilt van dat van andere jonge magistraten, die verblind zijn door hun ijdelheid en ambities. Hij geniet van zijn comfort, zijn kaart- en dansavondjes, zijn rijke en knappe vrouw, kortom, van alles wat hem van pas komt om carrière te kunnen maken. En dan komt de omslag: tijdens haar zwangerschap blijkt zijn vrouw jaloers op hem te zijn. Vanaf nu wordt het huwelijksleven een hel. Alleen zijn benoeming tot rechtbankpresident in Sint-Petersburg en het inrichten van zijn nieuwe huis vrolijken hem nog op. Maar ook dit blijken placebo’s te zijn voor zijn toenemende besef dat hij verkeerd heeft geleefd.

De schrijver van wellust

En dan wordt Ivan Iljitsj ineens ernstig ziek. Terwijl hij zelf weet dat hij doodgaat, vinden zijn vrouw en kinderen dat hij overdrijft, verkopen de gewichtige dokters onzin en steken zijn collega’s de draak met hem. Dat eenzame lijden beschrijft Tolstoj indirect aan de hand van Ivan Iljitsj’ huisknecht Gerasim, die de benen van zijn meester op zijn schouders legt om diens pijn te verlichten. In dat kleine, intieme gebaar schuilt Tolstojs grootheid, die hij versterkt met een zin als: ‘Hij wilde graag vertroeteld, gekust en beweend worden, zoals kinderen worden vertroeteld en getroost.’

Laat Tolstoj zich in ‘De Kreutzersonate’ van zijn wellustige kant zien, met een hoofdpersoon, die uit een ontembare seks- en bezitsdrang zijn overspelige vrouw vermoordt, in ‘Vader Sergius’ gaat een jonge gardeofficier het klooster in, wanneer hij ontdekt dat zijn aanstaande bruid de minnares van de door hem bewonderde tsaar Nicolaas I is geweest. In het klooster wordt hij aanhoudend geplaagd door lustgevoelens en besluit hij boete te doen door zich als kluizenaar van de wereld af te zonderen. Maar ook daar steekt de duivelse lust de kop op, met alle gevolgen van dien. In ‘De duivel’ is iets vergelijkbaars aan de hand: een verveelde, getrouwde landheer blijft maar achter de kont van een wilde boerenmeid aanlopen, totdat hij uit wanhoop over zijn gevoelens zelfmoord pleegt.

In die vier verhalen is Tolstoj duidelijk te herkennen. Hij is de schrijver van de wellust en de verveling. Een dodelijke combinatie, zoals deze meesterlijke verhalen laten zien.