Column

‘Verbod op salafistische groepen ongrondwettig’

Dat zei Jozias van Aartsen, burgemeester van Den Haag, in NRC.

Foto Istock

De aanleiding

Burgemeester Van Aartsen van Den Haag zei in NRC van 4 januari dat een verbod op salafistische organisaties van orthodoxe moslims onwenselijk is en indruist tegen de grondwet. „De essentie van onze grondwet is dat er vrijheid van godsdienst is, vrijheid ook van meningsuiting”, zei hij later nog eens bij BNR-radio. „Je kunt mensen niet veroordelen op grond van opvatting of mening.” Hij zette zich daarmee af tegen de Tweede Kamer, die het kabinet onlangs verzocht de mogelijkheid van zo’n verbod te onderzoeken. We bekijken of Van Aartsen gelijk heeft dat dit strijdig met de grondwet is.

Waar is het op gebaseerd?

Een motie van de Tweede Kamer, die op 1 december werd aangenomen met steun van onder meer PvdA, VVD, PVV en CDA, stelt dat het salafisme in Nederland isolationistisch van karakter is en gericht op onverdraagzaamheid, anti-democratische activiteiten en polarisatie. Daarmee vormt het volgens de tekst een kweekvijver voor radicalisering en gewelddadig jihadisme. De motie suggereert een verbod omdat het salafisme in strijd met de openbare orde zou handelen. Zo’n verbod zou de gemeente Den Haag in verlegenheid brengen, want die werkt samen met sommige salafisten. Die nemen deel aan burgerwachten zoals tijdens de jaarwisseling en ontvangen subsidie voor onder meer taalonderwijs.

En, klopt het?

Staatsrechtgeleerden geven Van Aartsen slechts ten dele gelijk. „Het hangt ervan af”, zegt Jit Peters, hoogleraar staatsrecht aan de Universiteit van Amsterdam, „of organisaties of opvattingen worden verboden. Opvattingen verbieden zou in strijd zijn met de vrijheid van godsdienst en van meningsuiting”.

Zijn collega Paul Bovend’Eert uit Nijmegen beaamt dit. „Je kunt alleen een concrete rechtspersoon verbieden, zoals een motorbende of een bepaalde vereniging die in strijd handelt met de openbare orde of de goede zeden.” Een collectief verbod op salafistische organisaties, waarop de Kamer lijkt te doelen, is volgens hem niet aan de orde. Elke salafistische organisatie zou individueel moeten worden beoordeeld.

Tot zover krijgt Van Aartsen dus gelijk. Maar helemaal veilig kunnen salafistische organisaties zich nog niet voelen, al zijn ze nog zo vreedzaam en houden ze zich volledig aan de wet. Bovend’Eert: „Grondrechten kunnen wel beperkt worden als een vereniging wordt gezien als een gevaar voor de openbare orde en de goede zeden.”

Bovend’Eert en Peters wijzen in dit verband op het geval van pedofielenvereniging Martijn, die in 2014 na een uitspraak van de Hoge Raad werd ontbonden. Deze oordeelde dat Martijn de gevaren van seksueel contact bagatelliseerde en zelfs verheerlijkte en propageerde. Daarom handelde de vereniging in strijd met de openbare orde, vond de Hoge Raad.

Onomstreden was dat oordeel allerminst. „Martijn had zelf niets strafbaars gedaan en riep niet op tot geweld”, aldus Peters. „Maar de denkbeelden van de vereniging werden toch gezien als een gevaar voor de openbare orde.” Zo kon Martijn preventief worden verboden.

Bij salafistische organisaties zal het erom gaan spannen. Zijn hun opvattingen een gevaar voor de openbare orde of niet? Als ze nadrukkelijk jihadistische sympathieën uitdragen vermoedelijk wel. Maar geldt dat ook als ze vrouwen instrueren dat ze geen privégesprekken mogen voeren met onbekende mannen of aanbevelen een sluier te dragen? Dan wordt dat al een stuk twijfelachtiger.

Conclusie

De stelling van Van Aartsen dat een verbod op salafistische organisaties tegen de grondwet indruist, is in zoverre correct dat die organisaties in elk geval niet collectief kunnen worden verboden. Dat dient per organisatie te worden beoordeeld. Maar als een salafistische organisatie actief opvattingen uitdraagt die als een gevaar voor de openbare orde worden beschouwd, hoeft een verbod niet per se strijdig te zijn met de grondwet. We beoordelen de stelling daarom als half waar.