Tricky Dick vertrouwde alleen zichzelf

Amerikaanse journalisten raken niet uitgeschreven over Richard Nixons presidentschap (1969-’74). Haat was zijn organiserend principe.

De Amerikaanse president Richard Nixon tijdens zijn aftreden in 1974. Foto Rolls Press/Popperfoto/Getty Images

Over de eenzaamheid en mensenschuwheid van Richard Nixon (1913-1994) is veel geschreven, maar voormalig medewerker Alexander Butterfield voegt er nieuwe accenten aan toe. Begin 1970 werd Butterfield in het Witte Huis voorgesteld aan de net geïnstalleerde president. Het werd ‘een marteling’, aldus veteraan journalist Bob Woodward in diens boek The Last of the President’s Men. Butterfield, een voormalige piloot zonder kennis van Nixon of politieke ervaring, wist niet wat hem overkwam. De president deed een poging tot small talk, die strandde in grommende keelklanken. Hij draaide met zijn rechterhand rondjes voor zijn mond bij wijze van verklaring voor zijn verbale onvermogen. Hij trappelde met een van zijn voeten over het tapijt van het Oval Office. Er gebeurde niets. Stilte. Ten einde raad besloot Butterfield Nixon te imiteren: trappelende bewegingen met een van zijn voeten. Zo stonden ze een tijdje tegenover elkaar. Butterfield had zich volgens Woodward ‘nooit minder op zijn gemak gevoeld’.

Enkele weken later kwam het daadwerkelijk tot een eerste gesprek, waarin Nixon hem in gezelschap van een minister belachelijk maakte. Butterfield overwoog ontslag te nemen, maar bleef, schikte zich. Drie jaar later nam hij wraak door het bestaan te onthullen van de fameuze tapes tijdens een van de hoorzittingen over Watergate. ‘Tapes – eenmaal begonnen is er geen houden meer aan’, noteerde Nixon in een kladblok. Zijn aftreden was een kwestie van tijd.

Ruim veertig jaar later neemt Butterfield nogmaals wraak, dit keer door zijn herinneringen aan zijn jaren in het Witte Huis te delen met een prominent lid van de media. Journalisten stonden, zoals bekend, hoog op het beruchte lijstje van vijanden van Nixon, naast Democratische politici, hoogleraren aan elite-universiteiten en ambtenaren (‘bureaucraten’). Misschien geen toeval: Woodward was samen met Washington Post -collega Carl Bernstein destijds de motor achter de berichtgeving over Watergate. Butterfield en Woodward speelden dus een grote rol in de val van Nixon. Over de kern van diens presidentschap is Butterfield nu duidelijk: haat was het organiserend principe.

De onthulling van het bestaan van de tapes veroorzaakte destijds een schok. Hoewel Nixon zelf niet betrokken bleek bij de inbraak in het hoofdkwartier van de Democratische partij in het Watergate-complex op 17 juni 1972, werd uit de opnamen duidelijk dat hij zich nadrukkelijk wél had bemoeid met de cover-up. Het gesprek waaruit dat bleek is de geschiedenis ingegaan als de smoking gun tape.

In eerste instantie verzocht Nixon de CIA tevergeefs om het onderzoek naar de inbraak door de FBI te blokkeren door het uit handen te nemen van de agenten. Hij was betrokken bij het regelen van zwijggeld en probeerde de verantwoordelijkheid voor de inbraak in te dammen door deze in de schoenen te schuiven van de direct betrokkenen.

In The Nixon Defense maakt voormalig medewerker en klokkenluider John Dean een overtuigende reconstructie van Watergate door de ogen van de president. Een boek om van te watertanden. Nixon blijft zich verzetten terwijl de ene na de andere betrokken medewerker voor de bijl gaat, steeds hoger in de pikorde. Je weet dat het slecht afloopt, maar het machteloze gespartel van de president over de gevolgen van deze ‘verdomde kraak’ is adembenemend.

Bandopnamen van de bijna 3.700 uur aan gesprekken die Nixon tussen februari 1971 en juli 1973 liet opnemen zijn pas sinds kort bijna integraal te beluisteren en te lezen. Een klein restant blijft geheim, vanwege nationale veiligheid en privacy. De tapes hebben hun magische aantrekkingskracht behouden. Vreemd is dat niet: hier horen we de duistere Nixon, de man you love to hate, in al zijn glorie. Recht voor z’n raap, inclusief het grove taalgebruik, scheldpartijen en racistische uithalen. Tricky Dick vanuit zijn bunker in het Witte Huis, rauw en ongepolijst.

Kletsen over voortplantende panda’s

Niet alle gesprekken waren loodzwaar. Er was ruimte voor een luchtige verhandeling over de voortplantingstechniek van panda’s of een voorstel om aantrekkelijke secretaresses te rouleren – als arbeidsvitamine. Maar paranoia ligt altijd op de loer, klaar om toe te slaan. Zijn obsessie om ‘lekken’ van medewerkers te voorkomen blijkt bijvoorbeeld uit dit advies aan tijdelijk minister van Justitie Patrick Gray: ‘In de Tweede Wereldoorlog marcheerden de Duitsers door dorpen. Als een van hun soldaten werd geraakt door een scherpschutter werd het hele godverdomde dorp opgetrommeld en werd hun duidelijk gemaakt: als jullie blijven zwijgen gaan jullie er allemaal aan. Ik denk dat je zo te werk moet gaan.’

Wie was Nixon? Soms lijkt het of geen zichzelf respecterende journalist in Amerika eronderuit komt zich aan een analyse te wagen. Tim Weiner zet hem in One Man Against the World weg als een sinistere zonderling die het zonlicht niet kon verdragen. In een geblindeerd vertrek verkoos de president volgens Weiner de schaduw van het openhaardvuur, ‘in gesprek met de enige man ter wereld die hij vertrouwde: zichzelf.’ Naast dit monster is er ‘de acteur’ Nixon van Evan Thomas: een man verwikkeld in een ‘gigantisch gevecht tussen hoop en angst’. Deze strijd mondt uit – aldus de conclusie van Being Nixon. A Man Divided – in ‘dappere’ pogingen van Nixon om ‘vaak maar helaas niet altijd licht in het duister te zien’. Woodward draagt ook zijn steentje bij. Hij prijst ‘de gave van een strategisch intellect’, dat helaas ontspoorde in Vietnam en Watergate.

Nixon hield van mannen met dirty tricks

Butterfield concentreert zich gelukkig op de kern. De president, zegt hij, gaf leiding aan een ‘beerput’. Woodward vraagt helaas niet door. The Last of the President’s Men voegt zich naar het stramien van zijn vorige boeken: pakkende anekdotes, gewichtigdoenerij met geheime documenten, gebrek aan context en analyse.

De beerput, dus. Nixon had een zwak voor wat zijn rechterhand Bob Haldeman in The Nixon Defense ‘ondergrondse karakters’ noemt – medewerkers die waren gespecialiseerd in dirty tricks. Mannen als Howard Hunt, Gordon Liddy, Charles Colson en Tom Charles Huston, ambitieuze ‘actiemannen’ die buiten het regeringsapparaat om bereid waren karweitjes op te knappen die het daglicht niet konden velen. Loyaal tot op het bot, gewetenloos, ongeleide projectielen.

Nee, Nixon was niet direct betrokken bij de inbraak in Watergate. Maar daarvoor gaf hij wel zijn fiat aan het ‘Huston-plan’. Het omhelsde onder meer een inbraak in de denktank Brookings Institute – Nixon vermoedde ten onrechte dat daar voor hem belastende informatie lag opgeslagen die hij uit de weg geruimd wilde zien.

De uitvoering van het Huston-plan werd gedwarsboomd door FBI-directeur J. Edgar Hoover, zelf nooit te beroerd om afluisterapparatuur te plaatsen bij personen die hij als staatsvijandig beschouwde. ‘Huston’ ging Hoover te ver, maar Nixon had er geen problemen mee. Inkeer kwam later, toen het laat was. Op een bandopname van 17 mei 1973 erkent hij dat hij fout zat: ‘Het kwalijke is dat de president toestemming gaf tot de inbraken.’ Hij zou, zegt hij, na het vrijgeven van de tapes over het Huston-plan kunnen worden afgeschilderd als een ‘repressieve fascist.’

Hij had misschien beter geen president kunnen worden. Maar de tapes hebben eeuwigheidswaarde. Een bron van perverse vreugde voor journalisten en historici.