Column

Soezen bij mantra aan rondetijden

Het marcheren van de militairen op de schaatsbaan van Minsk leek onberispelijk; gekleed in vierkante uniformen sloegen ze hun benen bij iedere pas kaarsrecht naar voren. De Wit-Russen liepen met drie vlaggen naar het podium voor de medaille-uitreiking. Sven Kramer stond al klaar bij het podium. In het midden.

Kramer staat altijd in het midden.

De spanning op het EK allround was ver te zoeken. De laatste meters schaatste Kramer op het gemak uit: brede slagen, torso omhoog en de handen in de lucht. Je kon zijn overwinningsgebaar al twee dagen zien aankomen.

Kramer is de baas op de ijsrots. Hij leeft voor zijn sport. Verzuren tijdens de training, slapen in hotelkamers, drank en feestjes overslaan met als enig doel: de beste zijn.

Wie naar Sven Kramer kijkt, ziet een sportman die naar perfectie streeft en altijd de strijd wil aangaan. Zijn tegenstanders liggen bij voorbaat verslagen tussen de dweilmachines. Wie wordt er tweede, dat is hun voornaamste vraag.

Het toernooi was twee dagen live te zien. Een toernooi zonder spanning. Uitzetten deed ik de televisie niet. Verslaving, gewenning? Dit allroundtoernooi was een knapperend haardvuur. Wegsoezen bij een mantra aan rondetijden en interviewtjes. Heerlijk, ik kon er deze week weer tegenaan.

Schaatsen als yoga.

En dat terwijl ik zulke opwindende herinneringen heb aan allroundtoernooien. Ja, ik ben nog uit de tijd dat je alle tijden met de hand noteerde op een speciaal vervaardigde pagina van je papieren krant. De Noren versus de Hollanders. De angst dat het ging sneeuwen, of juist dooien.

Het EK allround hangt er tegenwoordig een beetje bij omdat schaatsers zich steeds meer specialiseren op één of twee afstanden. De allrounders hebben het nakijken. Een schaatstoernooi moet swingen. Het publiek hoort tijdens de rondjes liever muziek dan een slepende schaats.

De wereld is kortademig geworden, misschien hoort een uithoudingsproef op de tien kilometer niet meer bij deze tijd. Inruilen voor de drie kilometer, is het plan.

De grootste spanning tijdens het toernooi zag ik bij de militairen, vlak voor de prijsuitreiking. Ze kregen het maar niet voor elkaar om de lusjes van hun vlaggen om een horizontale pijp te doen die omhoog getrokken moest worden. De namen van de nummers één, twee en drie van het eindklassement werden al omgeroepen.

Die verdomde lusjes, ze waren te krap. Net op tijd lukte het om ze om de pijpen te krijgen. Met bleke gezichten trokken de militairen aan de touwtjes.

De vlaggen hingen even later futloos in de lucht. Onze beste schaatser aller tijden zwaaide met een krans om zijn nek, achtvoudig winnaar van een toernooi dat wellicht als passé moet worden beschouwd.