Column

Denkend aan de Tigri

‘De Tigri valt alleen een mens aan als hij door een ander mens wordt gestuurd!” riep Krimbo. We zitten in de ‘keuken’. Een open ruimte van houten platen, half teruggegeten door het bos, onder een flikkerende tl-buis. Non-stop aangevallen door muggen (malaria!), teken (de ziekte van Lyme!) en vliegende torren die zichzelf lanceren op het tafelblad of in mijn haar (gatver). Daarbuiten is de jungle. Die zie je niet, je hoort hem alleen. Gezoem en gefladder en gespartel en gekwaak en gebrul van god weet wat voor dieren.

‘We’ dat zijn: Krisna, de expeditieleider, een boswezen in de vorm van een knappe latina. Soraya, een Hindoestaanse beauty die een scriptie schreef over Surinaamse katachtigen. Krisna’s Nederlandse moeder Ellis, haar Nederlandse partner Hans. En Rudy en Krimbo, twee indianen die weinig praten, behalve als ze een borreltje hebben gedronken.

Volgens mijn vader was mijn Surinaamse overgrootvader een medicijnman die zichzelf kon transformeren in een tijger. Tijgers komen niet voor in Suriname. Tigri’s wel. In twee maten: de tigrikati oftewel de ocelot, iets groter dan een huiskat. En de pakira tigri, wat wij noemen de jaguar. Er wordt op ze gejaagd, maar ze leven nog steeds in het binnenland. En dus sloot ik me aan bij een expeditie van Conservation International Suriname, die het Surinaamse regenwoud beschermt. Tien dagen zonder telefoon of internet, diep in het Centraal Suriname Natuurreservaat, een klein deeltje van de Amazone, het grootste regenwoud op aarde.

In eerste instantie was het met die jungle een beetje zoals met New York: ik had er mijn hele leven zo veel over gelezen, gezien en gehoord dat hij in werkelijkheid wat tegenviel. Een grote, groene muur aan beide kanten van de weg. Hij kwam tot leven toen we na urenlang hobbelen over een zandweg de auto uit stapten en in een lange houten boot verder voeren over de Coppename-rivier. We voeren langs eilandjes van zand, zwarte rotsen die boven het water uitstaken, sommigen behaard, als varkensruggetjes. We zagen een witte reiger, gele vlinders en twee raven die klagend naar de overkant vlogen. „In Nederland hebben we ook raven”, zei ik tegen Soraya. Maar Surinaamse raven zijn blauw en rood, als papegaaien.

Het water stond laag, na een uur kwamen we vast te zitten. Iedereen stapte de boot uit, het water in. Ondanks al mijn goede voornemens geen gevaren op te zoeken (piranha’s!), ging ik ook. Het water was warm, de bodem was zanderig. En voor het eerst die dag voelde alles om me heen als echt. We sliepen op een strandje, onder de sterren en voeren de volgende ochtend weer door.

Het basisstation, waar we nu zijn, bestaat uit vier houten gebouwtjes, midden in het bos. Ik slaap in een kamertje naast Rudy en Krimbo. Onder een boom die op het dak gevallen is. Op de deur naast mijn kamer heeft iemand een rood kruis getekend. De bewoners van het dichtstbijzijnde dorp denken dat het hier spookt.

’s Avonds vertellen we elkaar spookverhalen. In de keuken is dat leuk, in bed is het een ander verhaal. Mijn deur kan niet op slot. Alles om me heen kriebelt en kruipt en het is alsof mijn schaamstreek in brand staat. Met een duwtje van zijn kop kan de Tigri binnenkomen. Niet aan denken, niet aan denken, denk ik. Want dan komt hij juist. Dan schreeuwt er een aap of een varken of wie weet wat het is en breekt een regenstorm los.