‘Zonder beurs was ik gestopt met de wetenschap’

Totaal anders dan haar moeder, heeft professor Rianne Letschert (39) een drukke carrière in de wetenschap. Alleen met subsidies kan ze haar onderzoeken doen. Dat geld is er steeds minder.

R

ianne Letschert zit met haar laptop in de bibliotheek van het Trippenhuis, de thuisbasis van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW). Nog snel even wat werk doen voordat het interview begint. „Afgelopen jaar was extreem druk”, zal ze later in het gesprek vertellen. „Dat wil ik dit jaar niet meer op deze manier. Meestal doe ik alleen vrijdagavond en zaterdag niks, voor de rest ben ik aan het werk.”

Letschert is hoogleraar rechten aan de Universiteit van Tilburg en directeur van Intervict, het interdisciplinaire onderzoeksinstituut van die universiteit op het gebied van slachtofferschap. In april werd ze daarnaast ook voorzitter van De Jonge Akademie, een groep van vijftig topwetenschappers jonger dan 45 die onder de vlag van de KNAW overleg tussen wetenschapsgebieden en tussen wetenschap en maatschappij stimuleert. Verder is ze onder meer lid van de raad van toezicht van Slachtofferhulp en lid van de Europese mensenrechtenorganisatie Netherlands Helsinki Committee. „Maar”, zegt ze, „als je werk doet dat je leuk vindt, houd je het heel lang vol.”

Wat carrière maken betreft, zegt Letschert, is ze totaal anders dan haar moeder. „Bij mij thuis doet vooral Rob de zorg. Hij kookt ook altijd, ik kook nooit.” Letscherts moeder daarentegen stopte met werken toen ze kinderen kreeg. „Ze is pas weer begonnen toen mijn broer en ik naar de middelbare school gingen. Eerst op een secretariaat en later in een groentenwinkel. En toen mijn oudste werd geboren is ze wéér gestopt met werken, want toen wilde ze graag een dag in de week voor Joep zorgen.” Die is net 9 geworden; Letschers dochter Julia is 4. „Het leven van mijn moeder draaide er altijd om dat alles fijn was voor het gezin. En nu nog. Nu zorgt ze ervoor dat het voor ons allemaal fijn is.”

Voetsporen van haar vader

Letschert treedt eerder in de voetsporen van haar vader. „Die was directeur van een stichting op het gebied van wat toen nog zo mooi heette: de multiculturele samenleving.” Hij begeleidde integratieprojecten van verschillende etnische groepen in Nederland. „Wij gingen vaak naar feesten van Surinamers of Spanjaarden of Antillianen. Er was altijd wel iets waar hij zijn gezicht moest laten zien en dan ging ik mee. Het lijkt erop alsof het debat weer net zo scherp wordt als ten tijde van het debat rondom Het multiculturele drama begin deze eeuw. Tegenstellingen en angsten worden uitvergroot en overeenkomsten en verworvenheden van de multiculturele samenleving onderbelicht.”

Dat Letschert naar de universiteit ging lag niet per se voor de hand (haar broer deed dat bijvoorbeeld niet), maar haar rechtenstudie was een weloverwogen keuze. „Veel mensen kiezen rechten omdat ze niet precies weten wat ze willen, maar ik had het idee: ik word kinderrechter of iets bij de Raad voor de Kinderbescherming.” Ze had nooit gedacht dat ze met rechten onderzoek zou kunnen doen. „Toen vroeg mijn scriptiebegeleider of ik niet wilde promoveren – daar had ik nog nooit van gehoord. Ik wist helemaal niet wat een aio was, wat die deed.” Een aio is een promovendus, iemand die (meestal in vier jaar) een proefschrift schrijft.

Dat van Letschert – ze promoveerde in 2005 – ging over concurrerende internationale organisaties die beleid maken op het gebied van nationale minderhedenrechten. „Dan moet je denken aan de Albanezen in Kosovo of Macedonië. Groepen die door grensverschuivingen ineens een minderheid in een land worden.” Letschert merkte dat die organisaties haar onderzoek oppikten. Vervolgens ging ze verder met een ander onderwerp: rechten van en hulp aan slachtoffers (van bijvoorbeeld misdrijven, rampen of terrorisme). Want ze wilde „niet zestig jaar door, copy-paste, op minderheden. Dan had ik het gevoel dat ik mezelf zou herhalen.”

Zoals ze dat bij de generatie voor zich zag? „Ja, soms wel. Ik denk dat je tegenwoordig veel meer aan de subsidiegevers moet laten merken dat je innoveert op je vakgebied. Terwijl de generatie voor mij of misschien de generatie dáárvoor vrij makkelijk hun ding kon doen zonder die druk om geld binnen te halen. Je had gewoon je aanstelling en er stond niemand kwantiteitslijstjes af te vinken: hoeveel heeft u gepubliceerd, hoeveel subsidie heeft u verdiend? Ik ken sommige onderzoekers uit die tijd, als die één stukje per jaar schreven was het veel.”

Dat was misschien wel prettig voor ze, maar geen gezonde situatie, vindt Letschert. „Onderzoekers aan de universiteit worden allemaal met publiek geld betaald; dat daar een bepaalde verantwoording tegenover staat, vind ik normaal. Het gaat alleen de verkeerde kant op: het is bijna zo dat je niet zeker meer bent van je baan als je geen onderzoeksgeld binnenhaalt. Dat vind ik een zorg: dat jonge mensen steeds van contract naar contract moeten gaan, zes maanden eruit en dan weer erin... Dat soort perverse situaties in een sector waarin het gaat om kennisopbouw. Dat je mensen verliest omdat je ze geen vast contract kunt bieden.” Zelf hoort ze „nog nét” bij de generatie die vrij gemakkelijk een vast contract kreeg. „Ik heb geluk gehad.”

Beurs gekregen

Toch overwoog ze vorig jaar nog om de wetenschap te verlaten. Ze had een belangrijke subsidie aangevraagd bij wetenschapsfinancier NWO: een Vidi-beurs, waarvoor onderzoekers maximaal acht jaar na hun promotie een verzoek kunnen indienen (en mensen die voor jonge kinderen hebben gezorgd iets later). Afgelopen mei werd bekend dat Letschert die beurs inderdaad kreeg. Ze gaat het effect van oorlogstribunalen en mensenrechtenhoven onderzoeken – ze vermoedt dat de procedures van zulke tribunalen en hoven die herstel proberen te bieden, bijvoorbeeld door de opdracht te geven om een monument op te richten of om excuses aan te bieden, de samenleving juist kunnen polariseren en mensen soms te eenvoudig in slachtoffers en daders verdelen.

Maar als ze die Vidi van 800.000 euro niet had gekregen, was ze gestopt met de wetenschap. „Dat heb ik altijd gezegd. Want dan zijn alle kansen op een grote subsidie voorbij en zou het voor mij steeds moeilijker worden het type onderzoek – onderzoek dat veel materiële lasten kent zoals dataverzameling in postconflict-gebieden – te doen dat ik graag doe. Ik zie dat bij meer jonge onderzoekers, dat ze een subsidie bepalend laten zijn voor hun toekomst. En dat zijn allemaal mensen die heel gedreven zijn en die eigenlijk niet uit de wetenschap weg willen, maar die gefrustreerd raken dat ze continu van voorstel naar voorstel gaan en dan net geluk hebben – of niet.”