Voorvechter van avant-gardekunst

Loek van der Sande, bestuurder en kunstadviseur, leefde al jaren in geleende tijd. Door reuma en hartfalen was hij immobiel geworden. Geen reden om stil te zitten, zegt zijn partner van de afgelopen 23 jaar, de Amsterdamse galeriehouder Antoinette Reuten. „Loeks honger naar kunst was nagenoeg onstilbaar. Mopperend liet hij zich in een rolstoel hijsen en dan gingen we samen weer naar het museum. Na afloop zei hij dan: ‘Heel erg bedankt. Dat hebben we toch mooi maar weer gezien.’”

Van huis uit econoom heeft Van der Sande decennialang talloze bestuurs- en adviesfuncties in de kunstsector vervuld. Een kleine selectie: hij begon in 1965 als directeur van de Stichting Industriële Vormgeving Amsterdam en was later directielid bij het ontwerpbureau Total Design, lid van de Raad voor de Kunst en bestuurslid bij het Stedelijk Museum en kunstcentrum De Appel in Amsterdam. Hij adviseerde bedrijven en ministeries, gaf gastcolleges en schreef scenario’s voor documentaire films en tentoonstellingen.

Vriendin Judith Crouwel-Cahen, woensdag spreker bij zijn uitvaart: „Een geestige, ludieke en hyperintelligente man, die razendsnel kon nadenken en geweldig kon netwerken, al lang voordat die term gemeengoed werd.”

Vrienden omschrijven Van der Sande als een voorvechter van de avant-garde, altijd nieuwsgierig naar nieuwe ontwikkelingen op het gebied van architectuur, literatuur, beeldende kunst en design. Maar hij hield ook van James Joyce en Marcel Proust, van Wagner en Art Blakey en hij keek liever naar Who’s Afraid of Red, Yellow and Blue van Barnett Newman dan de expressionistische doeken van Karel Appel. Zijn partner Antoinette: „Het anekdotische interesseerde hem niet. Loek was dol op kunst met een hoog abstractieniveau, waarin gezocht werd naar het universele.” Op zijn rouwkaart staat een citaat van de dertiende-eeuwse Perzische dichter Rumi: ‘My soul is from elsewhere, I’m sure of that, and I intend to end up there.’

Het had zomaar gekund dat Van der Sande in 1992 Wim Beeren was opgevolgd als directeur van het Stedelijk Museum Amsterdam. Een commissie van drie wijze mannen had hem voorgedragen, maar het werd Rudi Fuchs. Volgens vriendin Rini Dippel, destijds conservator bij het museum, zou hij een goede directeur geweest zijn. „Hij kon goed delegeren en had een warm hart voor de kunst.”