Strafzittingen zijn te vaak toneelstukjes

Is het strafproces wel evenwichtig en openbaar? Als regelmatige toeschouwer ben ik gaan twijfelen. Een moordzaak met acht jaar cel als uitkomst – het kan binnen twee uurtjes zijn gepiept. Die zitting voelt als een gehaaste laatste bladzijde in een dik boek, waarvan de plot vaststaat. Onschuld lijkt een fictie. Nu lijkt het me voor een strafrechter ook enorm ingewikkeld zich steeds te moeten inprenten dat iedere verdachte in beginsel onschuldig is. Dat hou je met landelijk 90 procent veroordelingen jaarlijks niet vol, denk ik. Maar dat een zitting zó sterk op scripted reality zou lijken, een toneelstukje, dat had ik toch niet verwacht.

Journalistiek is een strafzitting een vrij hilarische opdracht. Het verhaal wordt er fragmentarisch en vaak achterstevoren verteld. Namen, plaatsen, gebeurtenissen vliegen door de zaal. De leek op de tribune verzamelt puzzelstukjes. Soms is de zaak pas écht te begrijpen als het vonnis binnen is. De tijdsdruk is voelbaar; de volgende advocaat staat alweer bijna op de gang. Getuigen zie je nooit. Bewijs wordt evenmin fysiek getoond, tenzij het videobeelden zijn en de rechter niet aan knoppenvrees lijdt. De zitting is vooral een twistgesprek over een dossier dat iedereen kent. Behalve dan de tribune. Die probeert er een touw aan vast te knopen. Zittingen worden intern wel de ‘verificatievergadering’ van het dossier genoemd. Meer een afstempelsessie.

Iedere zitting begint, na de tenlastelegging met het ‘voorhouden’ aan de verdachte van het dossier door de rechter. Ook na 27 zittingen heb ik nog niet door wat hiervan nou écht de bedoeling is. Is het een verhoor, een vraaggesprek, een langdurig standje? De ene voorzitter wil praten met en luisteren naar de verdachte. De andere er tégen: die houdt een belerende toespraak over het dossier en onderbreekt met ‘wat vindt u daarvan’. Veel verdachten weten niet wat ze daarop moeten zeggen.

Ik maakte nog niet mee dat de rechter het dossier echt ter discussie stelde. Of tegen de officier twijfel uitte. Strafrechters lijken mij, in de kern, gouvernementeel ingesteld: vrij loyale onderdelen van de strafrechthandhaving. En vermoedelijk is dat ook wat de burger wil.

Alleen, ik wil meer. Kritische distantie, bijvoorbeeld. Het dossier is behalve het frame van de zitting ook een fuik, met dank aan politie en OM, toegesneden op de schuld van de verdachte. Veel strafrechters gaan mij te makkelijk mee met de lijn van politie en OM. Mogelijk zijn de twijfelachtige zaken al afgevallen, zodat de onomstotelijke zaken overblijven. Maar dan nog valt me het kritisch gehalte van de zitting tegen.

Ook met het evenwicht is het niet best. Nu mag de advocaat pas echt praten als de zitting al voor tweederde klaar is. Soms is de bode al komen kijken of het een beetje opschiet. De rechters zijn klaar en gaan in de leunstand. De ‘persoon van de verdachte’ en de rapporten van de psycholoog zijn besproken. Ook de voorwaarden waar de verdachte kennelijk aan moet voldoen kwamen langs. Vaak is ook al een slachtoffer aan het woord geweest. Wie dan nog denkt dat de verdachte het niet heeft gedaan, beschikt wel over een zeer levendige fantasie.

Kan het beter? Ja natuurlijk. Zet de officier tegenover de rechtbank, parallel aan de advocaat. Niet collegiaal naast de rechters, op hetzelfde podium. Geef de advocaat aan het begin, vlak nadat de officier de tenlastelegging voorlas kort het woord. Een snelle repliek is goed als tegenwicht en geeft alvast een idee van het verhaal van de verdachte. Het herinnert de rechter en het publiek eraan dat er keuze is: meer versies, een ander perspectief. Nu zie ik de journalisten aan de perstafel vaak vertrekken als de advocaat het woord neemt. Het doet er niet meer toe. Dat voelen ze goed aan, vrees ik. De enige successen die ik advocaten zie boeken, gaan nooit over de daad, maar altijd over de strafmaat. In 27 zaken maakte ik tot nu toe één vrijspraak mee. Zoals het nu gaat is de zitting haast overbodig.