Stoere mannen hakken hout

In deze milde winter is het extra lekker om over spannende poolavonturen en houthakken te lezen.

Houthakkende mannen jagen al klievend ‘de ziel van het brandhout’ na. Foto Istock

Geen sneeuw en ijs in Nederland, evenmin haardvuur terwijl het maar heel soms bitterkoud is. Niet getreurd, de literatuur over barre winters maakt veel goed. De uit Brabant afkomstige Sjef van Dongen (1906-1973) verwierf in de jaren twintig en dertig de status van poolheld en poolvorser. Voor hem was het Noordpoolgebied een ‘mythische arena’ waarin hij zijn moed, mannelijkheid en heroïek bewees. Als jongeman vertrok hij met zijn ouders naar Spitsbergen, waar zijn vader werkte bij een steenkoolonderneming, de Nederlandse Spitsbergen Compagnie (Nespico). In Terug uit de Witte Hel beschrijft journalist Adwin de Kluyver nauwgezet hoe de familie Van Dongen hun poolwoning inrichtte volgens de huiselijk-Hollandse interieurregels van destijds: schemerlampen, fauteuils, velours gordijnen. Zo overleefden ze in de arctische streken.

De Noordpool was in jaren twintig en dertig felbegeerd gebied: poolreizigers en ondernemers hadden hun zinnen gezet op de verovering. In dit ongerepte gebied heerste de wet van de wildernis. Er ontstond een wedren naar de polen met hoofdrolspelers als Roald Amundsen, Fridtjof Nansen en Frederick Cook, de mannen uit het ‘heroïsche tijdperk’.

Volgens de destijds toonaangevende cultuurfilosoof Just Havelaar ‘vervrouwelijkte en verweekte’ de moderne man door de opkomst van het feminisme. De emancipatie van de vrouw tot ‘kattige manmeiden’ tastte de dominantie van de man aan. Manneneigenschappen als kalmte en doorzettingsvermogen taanden. De man ontaardde in een ‘verwijfd babbeljongetje’, aldus het weekblad De Bezem.

Dit periodiek van bedenkelijk allooi was verbonden met de fascistische beweging in Nederland. De opkomst van het fascisme en de roep om mannenheroïek in de arctische streken liggen volgens De Kluyver in elkaars verlengde. Als voorbeeld voor deze boude stelling geldt de poolreis van een Italiaans gezelschap.

In 1928 ondernam luchtvaarttechnicus en generaal Umberto Nobile een poging de Noordpool met het luchtschip Italia te bereiken. Met deze fascistische propaganda, ingezegend door Paus Pius XI, wilden de zuiderlingen hun claim op de pool laten gelden. Inderdaad, het luchtschip bereikte de Noordpool, een kruis plus Italiaanse vlag werden gedropt en het schip koerste terug. Een rampzalig ongeluk volgde: de Italia stortte neer, de gondel sloeg los en Nobile en zijn bemanningsleden raakten zwaar gewond.

Meteen kwam een internationale reddingsoperatie op gang. De jonge Van Dongen hoorde ervan en ook hij ging in mei en juni 1928 op zoektocht naar de ‘rode tent’ van de Italianen, ergens drijvend op een ijsschots. In de visie van De Kluyver ondernam Van Dongen een hachelijke tocht. Hij had zich slecht voorbereid. Onderweg moest hij sledehonden doden om zowel zichzelf als de andere honden te voeden. Het ijs was verraderlijk en begon te scheuren.

Heroïsch naar de Noordpool

Minutieus reconstrueert de auteur de vergeefse reddingsoperatie, mede geïnspireerd door de boeken die Van Dongen zelf schreef, waaronder Vijf jaar in ijs en sneeuw (1928). Tegelijk met De Kluyvers boek, Terug uit de Witte Hel, is Nederlandse Poolheld Sjef van Dongen van Michelle van Dijk verschenen. Ook maakte cineast Frans Mouws de documentaire De vergeten held (2014).

Van Dongen vond Nobile niet. Hij en zijn kompaan raakten op drift en moesten gered worden. Desalniettemin groeide Van Dongen uit tot een nationale held die Nederland de roemruchte glorie teruggaf van niemand minder dan Willem Barentsz, de oer-Nederlander die in de zestiende eeuw met zijn manschappen overwinterde op Nova Zembla.

Die aandacht voor Van Dongen komt opvallend tegelijk. Is er opnieuw sprake van een verlangen naar mannenheroïek?

Zijn Van Dijk en Mouws overtuigd van het heldendom van Van Dongen, De Kluyver plaatst vraagtekens. Hij schetst in de nasleep van het avontuur een opvallende deconfiture van de held: Van Dongen sympathiseert met het fascisme, dat immers heroïek proclameert, en ook beticht hij hem van verfraaiing van de ware toedracht. Hij zou steeds meer in zijn heldendom gaan geloven. Dat hij ‘leugens’ verspreidt, is een hard woord.

Gelukkig plaatst De Kluyver deze arctische heroïek in het perspectief van beroemdheden als Amundsen, Cook, Nansen en Robert Peary: avontuurzin, sensatie, daadkracht en volharding komen op de eerste plaats. In een verstedelijkte maatschappij worstelen deze mannen met de natuur. ‘Echte mannen’ zijn het.

In barre omstandigheden overleven vereist hogeschoolkunst: dat beschrijft de Noorse schrijver Lars Mytting in De man en het hout (2011), een schitterend filosofisch relaas over hoe mannen echt man worden met een hakbijl als gereedschap. Zoals poolhelden hun mannelijkheid aanspreken in de mythische wereld van de witte hel, zo doen houthakkende mannen dat in contact met een scherpgeslepen bijl en een gierende kettingzaag.

Mytting maakt er geen geheim van dat houthakkende mannen al klievend ‘de ziel van het brandhout’ najagen. Oorspronkelijk heet het boek, dat wereldwijd een ongekend succes is, Hel ved, ofwel Massief hout. De Nederlandse uitgeverij kiest voor De man en het hout, dus niet bijvoorbeeld De vrouw en het hout. Houthakken als mannenzaak. Elke stoere man zorgt voor een grote stapel voorraad. In de winter maakt hout het verschil tussen ‘leven en dood’.

En nu buiten houthakken

Mytting is ervaringsdeskundige. Hij geeft niet alleen aanwijzingen over zagen en hakken, ook passeert de winterse overlevingskunst van hout stapelen, drogen en vuur maken de revue. Zelfs de geschiedenis van de kettingzaag komt aan de orde, als ook het ingenieuze ontwerp van de bijzonderste houtkachel uit Scandinavië, de Noorse Jøtul 116. Mytting legt uit hoe op de juiste manier de haard te vullen: hij bepleit het ‘omgekeerde stoken’. Dat betekent eerst een klein vierkant maken van gekliefd hout en dan het vuur bovenop laten beginnen, en niet van onderop. Deze stookwijze is niets minder dan een ‘schoonbrandende revolutie’ en geldt, zeker in deze tijd, nu ook haardvuren in de ban worden gedaan, als een geweldige aanbeveling.

Niets is mooier in deze milde winter dan de poolavonturen te lezen en te verwijlen bij de talloze dramatische foto’s in de beide Van Dongen-boeken. Of liefkozend, zoals Mytting dat voorschrijft, de scherpte van bijl en kettingzaag onder je vingertoppen te voelen. Myttings boek is aanstekelijk als hij schrijft over de ‘genoegens van het houthakken’ en de fascinerende vuurgloed in de open haard. Hij schrijft beslist verleidelijk dat ‘veel mannen hun allerbeste momenten hebben in het houtbos’. De eerste bijlslag leidt uiteindelijk tot vuur in de haard.