Leidens trots: Romeinse resten uit Simpelveld, Nistelrode en Monster

Van buiten is niks nieuws te zien aan het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden. Alleen vanaf de overkant van het Rapenburg zie je een klein stukje glazen dak uitsteken boven het statige 18de-eeuwse pand aan de gracht. Het is een glimp van de pas gerenoveerde zuidvleugel, die in december is heropend. In die vleugel is nu de vaste collectie ondergebracht.

De spectaculaire Egyptische verzameling (mummies!) staat op de begane grond en die afdeling gaat pas in het najaar open. Dus meteen maar via de nieuwe wenteltrap rond een glazen liftkoker naar de eerste etage. Die is gewijd aan het Nabije Oosten, de Etrusken, Klassiek Griekenland (5de en 4de eeuw v. Chr.) en het Romeinse Rijk. Dat lijkt veel voor één verdieping, maar de uitstalling is niet zo groot. Die nevenschikking – en de begeleidende teksten– maken juist duidelijk dat de wereld van de Oudheid één geheel vormde. Griekse beeldhouwers zijn beïnvloed door hun Egyptische vakbroeders. Er bestonden levendige handelscontacten tussen Fenicië, Griekse stadstaten en Rome. Grieken koloniseerden Klein Azië en Zuid-Italië – Etruskische vazen vertonen duidelijk de invloeden van Griekse amfora’s – en uiteindelijk werd de hele antieke wereld, behalve Perzië, veroverd door Rome.

Over de presentatie niets dan lof. Alles staat in helder ledlicht achter ontspiegeld glas, de stukken hebben de ruimte en de vormgevers gaven iedere afdeling een eigen kleur. De Griekse collectie is geëtaleerd tegen een achtergrond van kobaltblauw, het nabije Oosten kreeg een zandkleur en het Romeinse Rijk is gehuld in grijs en oker.

Verrassend gaaf is het kleurige Romeinse glaswerk uit Libanon. En imposant is het marmeren beeld van de door Constantijn uitgerangeerde Maximianus, een van de vier Caesars van de Tetrarchie (293-305 AD). Het is gevonden in Tunesië, waar het de beeldenstorm tegen de rivalen van Constantijn overleefde. Ook de collectie Griekse amfora’s is niet mis, maar zoveel rood-zwart aardewerk vol mythische verhalen overvoert de zinnen. Over het leven van Etrusken, Grieken en Romeinen leren we niet veel. Wat Rome betreft blijft het vooral bij portretkoppen, grafurnen en sarcofagen van voorname Romeinen en stukken mozaïek uit vloeren van herenhuizen.

Mooi, maar in vergelijking met musea in Rome, Athene, Parijs en Wenen is de uitstalling bescheiden. De Republiek noch het Koninkrijk der Nederlanden had ooit iets te zeggen rond de Middellandse Zee. Niet zoals het Vaticaan, en vreemde heersers als de Habsburgers en Napoleon, die er van alles hebben weggehaald. Wat Leiden heeft, is vooral te danken aan amateurarcheologen als de Vlaams-Nederlandse kolonel Bernard Eugène Antoine Rottiers (1771-1857) en luitenant-kolonel Jean Emile Humbert (1771-1839), ‘de ontdekker van Carthago’, die in het Ottomaanse Rijk stukken opkochten, aan het museum verkochten of in overheidsdienst op expeditie gingen.

Dat geldt niet voor de unieke overblijfselen van Romeins Nederland. Neem nu de Dame van Simpelveld. In deze Limburgse gemeente zijn in 1930 zandstenen sarcofagen gevonden, waaronder die van een rijke vrouw die liggend op haar zij is afgebeeld op haar imposante doodskist. Aan de binnenkant zijn in reliëf huiselijke taferelen aangebracht. Of neem de Bronsschat van Nistelrode, een zeer goed bewaard wijnservies van 30 stukken. De eigenaar, een Brabantse herenboer, begroef het in de derde eeuw in een bronzen emmer. Of de Mijlpaal van Monster, die is geplaatst in 161 AD en die de afstand aangeeft tot Forum Hadriani (Voorburg). Fascinerende inkijkjes in de samenleving van een grensgebied.