Je zet vuilnis buiten en ineens is er een noot

Harpist Remy van Kesteren (De Bilt, 1989), wekelijks op tv als kandidaat in Wie is de mol?, bracht deze week voor het eerst een album uit met eigen composities. „Als man zit ik sneller aan de limieten van het instrument, ik trek meer snaren kapot.”

Tekst Merlijn Kerkhof Foto Andreas Terlaak

Mol

„Ze maken een grap, dacht ik toen ze me vroegen voor Wie is de mol?. Ik heb bijna alle seizoenen gezien, ik ben echt fan, maar dat ze mij zouden vragen had ik nooit verwacht. Het was een circus. Voor aanvang werden we gecontroleerd door een sportarts, we kregen een psychische keuring en eind mei gingen we naar Schiphol, zonder te weten dat we naar de Dominicaanse Republiek zouden vliegen. Alles moest geheim blijven: iedereen mocht één vertrouwenspersoon aanwijzen aan wie je mocht vertellen dat je meedeed, in mijn geval mijn vriendin. Ik heb op mijn site gezet dat ik op tournee was in Argentinië. Het zou ongeloofwaardig zijn geweest als ik had gezegd dat ik op vakantie was, ik ga helemaal nooit op vakantie.”

Harpje

„Tijdens de opnames had ik een harpje mee. Ik heb er elke ochtend op gespeeld, dat hield me rustig. In de bus op weg naar de eerste opdracht heb ik ook wat voor de groep gespeeld, dat hielp om de druk weg te nemen. 3,5 weken moest ik van de radar verdwijnen. Mijn ouders en broers bleven vragen om foto’s uit Argentinië: hoe heb je het daar, waarom horen we niks? Nee, ik heb echt niks gezegd. Je krijgt een boete van 250.000 euro als je iets verklapt, dus ik keek wel uit.”

Debuut

„Vrijdag heb ik mijn nieuwe cd gepresenteerd, Tomorrow Eyes. Het is mijn derde maar het voelt als een debuut – het is mijn eerste album met eigen werk. Het repertoire voor harp is niet zo groot en op een gegeven moment heb je het wel gezien. In nieuwe stukken vond ik geen voldoening meer, het was vaak te weinig uit het hart, alsof de componist dacht: het moet wel academisch zijn, anders krijg ik geen subsidie. Vaak vond ik driekwart leuk, maar dacht ik bij de rest: waarom speel ik dit? Waarom staat hier een c, terwijl het veel beter zou zijn als er een d zou staan? Toen dacht ik: ik moet het zelf doen.”

Tandartsstoel

„Anderhalf jaar geleden begon ik met lessen bij de componist Willem Jeths. Ik had een verheven beeld van componeren, dacht dat het op inspiratie aankwam. Tijdens de lessen brokkelde de magie af, Jeths maakte tastbaar hoe je van een klein ideetje van een paar noten een symfonie kan maken, gewoon door dat idee uit te wonen. Ik ben toch maar oefeningetjes gaan maken en het werkte. Vervolgens kwamen de melodieën op de raarste momenten. Dat je in de tandartsstoel zit en een boor hoort en ineens is er een bepaalde noot, of je hoort een melodie als je het vuilnis buiten zet.”

Dissonanten

„Ik keek erg tegen Willem op. Eerst probeerde ik mijn stukken daarom heel ingewikkeld te maken, dan voegde ik een paar dissonanten toe en hoopte ik dat hij onder de indruk zou zijn. Maar hij zei: ik hoor gewoon dat dit niet is wat je wil, jij maakt gewoon andere muziek en dat is prima. Ik was bang dat hij veroordelend zou zijn. Op het conservatorium word je geïndoctrineerd met het idee dat je muziek hebt en kunstmuziek, muziek die ver boven al het andere verheven is. In de klassieke-muziekwereld hebben mensen ontzettend harde meningen. Dat ben ik als de ziekte van de klassieke muziek gaan zien: dat mensen zekerheid zoeken in de complexiteit ervan, en daarmee zorgen dat het zo ontoegankelijk wordt.”

Labeltjes

„Ik voel me geen klassiek musicus meer. Klassieke recitals ga ik voorlopig niet meer doen. Ik wil af van de labels: mijn eigen composities zijn een beetje funky, een beetje pop, er zitten elementen uit de minimal music in – het is toegankelijk, maar niet zo toegankelijk dat het vervelend wordt. Ik heb gezien hoe destructief een labeltje kan zijn. Ik deed eens een tour met Kees van Kooten, sopraan Claron McFadden en Martin Fondse, die uit de jazz komt. De meeste avonden stonden we als ‘klassiek’ aangekondigd. Eén keer stond er ‘jazz’ in de folder, zat er meteen een totaal ander publiek. Dat vond ik grappig maar ook treurig: al die mensen die dit nu missen door één zo’n stom woordje.”

Volksbuurt

„Ik ben opgegroeid in een volksbuurt in Zeist. Mijn familie is niet bijzonder muzikaal, mijn ouders werken allebei in de zorg, ze zijn gescheiden toen ik een paar maanden was. Toen ik een jaar of vijf was werd ik verliefd op de harp. Toen ik op mijn tiende naar het conservatorium ging, wist ik niet eens wat dat was. Ik ben toevallig die klassieke wereld in gerold. En nu rol ik er dus weer een beetje uit.”

Lavinia

„Als ik ergens aan mee doe, wil ik winnen. Ik heb me helemaal de pleuris gestudeerd, ik wilde de beste worden. Of dat gelukt is? Ik heb in 2013 de US International Harp Competition gewonnen, het grootste concours dat er is voor harp. Het is maar de mening van een jury, toch viel er een last van mijn schouders. Ja, er is in Nederland momenteel veel harptalent. Lavinia Meijer? Behalve dat we hetzelfde instrument bespelen en dezelfde docent hebben gehad, Erika Waardenburg, zijn er echt nul overeenkomsten tussen ons. Ik zie haar niet als concurrentie, wat ik niet onaardig bedoel. Dat mensen ons vergelijken zegt vooral iets over hoe er naar de harp gekeken wordt. Het blijft voor velen toch een exotisch instrument. Ik heb het in het begin van mijn carrière wel meegemaakt: dan zou ik in een programma komen, maar ging het toch niet door, want ‘we hebben Lavinia laatst nog gehad’.”

Acht vingers

„Van mijn docent leerde ik dat de harp altijd mooi moet klinken. Ik was het daar niet mee eens. Je moet rauw of lelijk kunnen spelen als een stuk dat vraagt. Heel veel harpisten zijn verliefd op het instrument om het esoterische, het zachte, ik wil het hele spectrum van de muziek benutten. En het is gevaarlijk om te zeggen, maar als man heb ik natuurlijk ook meer kracht: ik zit sneller aan de limieten van het instrument, ik trek meer snaren kapot. De standaard harptechniek schrijft voor om met acht vingers te spelen, zonder pinken. Maar ik heb lange vingers, waarom zou ik die pinken niet gebruiken? Het helpt me om veel meer legato (gebonden) te spelen.”

Vangrail

„De jaren nadat ik was afgestudeerd heb ik ontzettend hard gewerkt. 150 concerten per jaar. Het maakte me steeds minder gelukkig, ik kwam alleen in concertzalen en op vliegvelden, ik hield het niet meer vol. Ik was uitgeput, maar was er ook met mijn hart niet meer bij. Het omslagpunt kwam toen ik om drie uur ’s nachts over de snelweg reed en dacht: ik ga die vangrail in. Dat leek me een aangename gedachte. Depressief? Eerder wel geweest, maar dat was dit niet. Ik zag het gewoon niet meer. Daarna heb ik alles omgegooid. Ik heb tegen mijn manager gezegd: Als ik zeven uur moet vliegen voor een optreden, wil ik zeven dagen in dat land zijn. Nu ben ik uitgerust en zie ik meer van de wereld, wat mij ook inspireert voor mijn muziek. Ik heb net een huis gekocht in Amsterdam, ik ben blij met mijn nieuwe album, het eerste waar ik zelf graag naar luister. Ja, ik ben gelukkig nu.”