Crisiskinderen: hoogopgeleid, maar geen werk

Meer dan veertig uur per week werken en toch nauwelijks rondkomen. Jongeren die tijdens de crisis zijn afgestudeerd of toen hun baan kwijtraakten komen nauwelijks meer ‘op niveau’ aan de slag. Voor hen gaat het sappelen onverminderd door.
Jochem Kromhout, Eline Slegers, Lotte Huijs, Annet Swart enSven Knöptels uit Den Bosch. „We hebben altijd gewerkt, maar niet altijd voor een inkomen.” foto mieke meesen

Lotte Huijs bewoont twee kamers in een voormalig negentiende-eeuws ziekenhuis vlakbij de Sint-Janskathedraal in Den Bosch. Eind jaren zeventig werd het pand gekraakt, inmiddels is het van de woningbouwvereniging en beheren 55 bewoners het in ruil voor een lage huur. Het is koud in haar kamer. „Ik probeer het altijd zo lang mogelijk uit te stellen om de verwarming aan te zetten.”

Lotte (32) deelt keuken en sanitair met anderen. In de gezamenlijke diepe stadstuin verbouwen huisgenoten groente en fruit. Als hobby, maar ook omdat het scheelt in de kosten. In de hal bij de voordeur is een ruimte waar bewoners spullen die ze niet meer gebruiken neerzetten. Lotte vindt er van alles. Ze koopt vrijwel nooit nieuwe kleren. Al haar meubels zijn tweedehands. Behalve haar bank. „Die kreeg ik vorig jaar van mijn ouders voor mijn verjaardag. Ik geniet er iedere dag van.”

Lange tijd verliep haar leven volgens het boekje. Ze ging van het vwo in Venlo naar de opleiding Culturele Maatschappelijke Vorming in Nijmegen. Een stage bij Loesje leverde meteen een vaste baan op met een leuk salaris. Na een aantal jaren nam ze ontslag om wat van de wereld te zien. In Zweden werkte ze bij een amateurtheater. Terug in Nederland zou ze met haar cv zo weer aan de slag zijn, geloofde ze.

Kaaskraam

Maar de wereld zag er bij thuiskomst begin 2009 anders uit. De val van de Amerikaanse zakenbank Lehman Brothers had een wereldwijde financiële crisis ingeluid. Reorganisaties, ontslagen en bezuinigingen waren aan de orde van de dag.

„De crisis heeft zes jaar geduurd”, zegt Ton Wilthagen, hoogleraar arbeidsmarkt aan de Universiteit van Tilburg en voorzitter van de Europese Taskforce Jeugdwerkeloosheid. „Dat heeft grote gevolgen gehad voor de mensen die in die periode zijn afgestudeerd. Werkgevers zijn geneigd de jongsten aan te nemen.”

Lotte Huijs maakte eerst op projectbasis een Loesje scheurkalender. Daarna begon het echte solliciteren. De meeste banen werden onderhands vergeven, merkte ze. Op die enkele mooie vacature kwamen zoveel sollicitaties dat ze kansloos bleek. Toen haar spaargeld op was, ging ze in de fabriek aan de slag. Aan de lopende band vouwde ze doosjes en vulde die met bierflesjes. Drie dagen in de week.

Via het uitzendbureau wist ze de fabriek na een half jaar te verwisselen voor een baan als postbezorger. Tot de crisis bij PostNL tot een zoveelste reorganisatie leidde, gevolgd door chaos waar ze na een half jaar genoeg van had. Al die tijd was ze blijven solliciteren op banen die aansloten bij haar studie. Zonder succes. Ze deed nog een maandje invalwerk bij het Eindhovens Museum, kreeg financiële hulp van haar ouders „en toen wist ik: ik zit in de shit, ik kan het nu echt niet meer rooien”.

Ze vroeg bijstand aan. „Dat was heftig. Je krijgt het gevoel dat je een profiteur bent.” Ze moest verplicht eindeloos solliciteren, op sollicitatieles, naar een praatgroep. Ze moest maandelijks haar bankafschriften laten zien en elke honderd euro die ze van haar ouders kreeg, verantwoorden.

Via via vond ze werk op contractbasis, als suppoost bij het Stedelijk Museum in Den Bosch, twaalf uur per week. Vroeger moest ze na zoveel contractverlengingen drie maanden zien door te komen voor ze weer een nieuw contract kreeg, nu zes. „De regering hoopt dat ze je door deze nieuwe regeling sneller in vaste dienst nemen. Wat ze natuurlijk niet doen.”

Bij het museum verdient ze 500 euro netto per maand. Zo schoon genoeg had ze van de bijstand met bijkomende sores, dat ze besloot te sappelen van enkel dat inkomen. Ze at bij vrienden, haar ouders staken haar regelmatig iets toe, ze haalde kleding in weggeefwinkels. Tot ze voor één tot twee dagen in de week extra werk vond bij een biologische kaaskraam. Dat krikte haar inkomen op tot de 800 euro die ze nog altijd verdient. „Precies genoeg om fatsoenlijk rond te komen.”

Jaloers

Elke vrijdagavond koken vrijwilligers een driegangenmaaltijd in sociaal centrum Knoflook in een kraakpand in Den Bosch. Iedereen die wil, kan aanschuiven en er naar vermogen betalen. Lotte Huijs is één van de vrijwilligers. Bij Knoflook treft ze vrienden uit de Bossche kraakscene. Met hen voelt ze zich verbonden. Ook zij zijn crisiskinderen.

Neem Sven en Annet. Sven Knöptels (34) studeerde af als fotograaf aan de kunstacademie in Utrecht in crisisjaar 2008. Vervolgens was er als fotograaf geen droog brood te verdienen. „Je mag al blij zijn met naamsvermelding.” Nu werkt hij vijf ochtenden in de week in een bedrijfskantine en twee avonden als afwashulp. Samen voor 800 euro netto per maand.

Hij heeft een oudere zus met een man, goeie baan, huis, auto en kind. Sven: „Soms denk ik: goh, dat is ook wel makkelijk. Maar dan zegt zij dat ze jaloers is op mijn vrijheid.” Hij fronst en bekent dan dat hij zich helemaal niet zo vrij voelt. Zijn studieschuld en onzekere financiële positie in los-vaste baantjes verlammen hem, als hij eerlijk is. Hij droomt niet van rijkdom. Wel van een vaste baan die hij kan combineren met een leven als kunstfotograaf.

Hij woont samen met zijn vriendin Annet Swart (31). Zij vond na de Sociaal Pedagogische Hogeschool in Utrecht meteen leuk werk in dak- en thuislozenzorg. Ze kreeg zelfs een vast contract voor 32 uur. Na vier jaar nam ze zelf ontslag omdat bezuinigingen in de zorg hadden geleid tot spanningen in het team, stress en tijdsdruk. Dat was midden in de crisis. Sollicitaties naar ander werk in de zorg liepen op niets uit.

Baantjes bij een natuurvoedingswinkel, een kopieershop, een kaaskraam, als fietskoerier en oproepkracht volgden. Tot ze genoeg had van tijdelijke kleine baantjes waarmee ze niets opbouwde. Ze stapte naar het UWV en maakte gebruik van hun steun om naaiatelier Mejuffrouw Modinette op te zetten. In zes maanden tijd schreef ze een bedrijfsplan, begon een avondopleiding, richtte een kamer in hun huurhuis in als atelier en zette een kindernaaicursus op. Haar einddoel: een naaiatelier als sociale werkplek.

Ze kreeg van het UWV maandelijks 600 euro. Sven en zij kwamen rond van 1.400 euro, 1.100 ging op aan vaste lasten. Haar ouders maken zich soms wel zorgen, merkt ze. Haar oudere broer en zus hebben allebei een vaste baan met goed salaris. „Mijn familie vraagt mij kapotte kleding te repareren en Sven familiefoto’s te maken. Ook om ons te helpen. Dat is heel lief, maar ik wil niet dat ze ons zielig vinden.”

De UWV-uitkering is nu opgehouden, zodat ze naast Mejuffrouw Modinette toch weer ander werk moet zoeken om rond te kunnen komen. „We leven heel zuinig. Eens in de week komt er een groentepakket en daar doen we het mee. Het is fijn te weten dat je het met zo weinig af kan. Maar ik zou best eens naar een concertje willen. En als twee dingen in ons huis stuk gaan, hebben we echt een probleem.”

Kop in het zand

Het is een strategie die je ook ziet bij anderen in de groep: een eigen bedrijf beginnen om in elk geval iets te doen wat ze leuk vinden, in de hoop daar op den duur inkomen mee te genereren.

Eline en Jochem openden na crowdfunding (300 mensen stortten samen 20.000 euro) het veganistische winkeltje annex lunchtentje HAP dat zichzelf bedruipt, maar waarop ze na een jaar nog nauwelijks verdienen. Eline Slegers (33) vond na de kunstacademie werk als grafisch vormgever, maar in 2013 verloor ze haar baan. „Het ging al langer niet goed met het bedrijf.” Ook collega’s werden wegbezuinigd. Die zeiden dat ze zonder werk gek zouden worden van verveling. Eline niet. „Er is zo veel te doen.”

Zij en hun vrienden uit de kraakscene runnen Knoflook, een weggeefwinkel, zetten acties op tegen kolencentrales, voor een humaner asielbeleid, tegen dierenleed. Lange tijd haalden ze maandelijks bij supermarkten eten op dat net over de datum was om er soep met brood van te maken en dat voor het station in Den Bosch uit te delen. Sommigen zijn stadstuin de Graafse Hof begonnen, waar ze midden in de wijk groenten en fruit verbouwen en iedereen mag komen helpen.” Jochem Kromhout (28), die weleens shows geeft als vuurspuwer: „We hebben altijd gewerkt, maar niet altijd voor een inkomen.”

Tot HAP iets oplevert, leven Eline en Jochem elke maand van de 1.200 euro die zij naast HAP verdient met 24 uur per week grafisch werk en de 80 euro die hij binnenbrengt als fietskoerier. Ze werken allebei meer dan veertig uur, „vaak dagen van negen tot negen”.

Voor haar verjaardag heeft Eline laatst ‘tijd’ gevraagd. Van Jochem en haar vrienden kreeg ze drie vrije dagen (haar werk in HAP werd geregeld) met daarin onder andere een kringloopwinkel-toer en een slaapfeestje.

Pensioenopbouw is iets waar niemand uit de vriendengroep graag over nadenkt. Sven: „Dan krijg ik stress.” Eline: „Ik steek mijn kop in het zand.” Arbeidsongeschiktheid spookt soms door hun hoofd. Jochem: „We hebben geen geld om ons daartegen te verzekeren. Als ik als fietskoerier onder een auto rijd, ben ik fucked.”

Wie dan leeft, wie dan zorgt, zuchten ze hun bezorgdheid weg. Wat moeten ze anders? Ze helpen elkaar waar mogelijk en blijven dromen. Lotte laat de twaalfsnarige gitaar zien die ze heeft gekregen van een jongen die naar Australië vertrok. Ze zingt, schrijft liedjes en treedt soms op als Bettie Akkemaai, vertelt ze. Als ze ooit toch eens wat zou kunnen verdienen met haar muziek…

Nee, dit is niet het leven waar ze als meisje van droomde. Ze zou graag werk doen waarin ze met haar talent kan woekeren. Ze verlangt naar vaste werkdagen en een stabiel salaris. „Er wordt verwacht dat je een bepaald ritme volgt. Je studeert, solliciteert, krijgt een baan. Ik streef daar nog steeds naar, maar het is niet zo gemakkelijk meer.”