‘Ik ben goed zoals ik ben’

Wielrenster Marianne Vos (28) staat sinds mei aan de kant. Ze is overtraind – de burn-out van de topsporter. Het is de vraag of ze op tijd fit is voor Rio.

Marianne Vos op haar stadsfiets in het Brabantse Dussen, vlakbij Meeuwen, waar ze een huis liet bouwen. „Ik heb het afgelopen jaar van mezelf leren houden.” Foto Robin Utrecht

‘De fiets is de enige plek waar ik me echt kan uiten, waar ik mezelf kan zijn. Ik was vroeger een schuchter en onzeker meisje, maar eenmaal op de fiets hoefde ik niets meer. Het is altijd mijn uitlaatklep geweest. Als je dat dan ineens niet meer mag omdat de arts zegt dat je non-functional overreaching hebt, dan is dat wel moeilijk ja. Wat dat precies is kan ik ook niet goed uitleggen. Overbelasting dekt de lading niet. Een Nederlands woord hebben we er niet voor. Met training breek je eigenlijk de cellen in je spieren af. Als je dan uitrust, gaat je lichaam die schade repareren en compenseren voor de volgende keer. Daar word je sterker van. Bij mij ging dat afbreken altijd prima, maar het opbouwen niet meer. En het stomme is: ik ben twee jaar lang gewaarschuwd.

„Ik heb al tijden last van mijn onderrug, een echte familiekwaal. Door die pijn ben ik scheef op mijn fiets gaan zitten, waardoor ik ook pijntjes kreeg aan de linkerkant van mijn lichaam, mijn bil, mijn hamstring. Toen ik daar eindelijk van hersteld was, viel ik in april met de mountainbike en brak ik een rib. En dan ga je raar ademen. Ik herstelde niet meer.

„In mei, de ochtend na de Zeven Dorpenloop van Aalburg, hier om de hoek, werd ik wakker met pijn in al mijn spieren. Aan mijn polsslag kon ik merken dat het foute boel was. Die was 80, waar 40-45 slagen per minuut normaal is voor mij. Dat was reden genoeg om me te laten onderzoeken.

„De uitslag van een maximaaltest op de fiets was niet goed: ik sprak met mijn arts af drie maanden totale rust te nemen en een streep door mijn seizoen en dus ook door het WK in Richmond te zetten.

‘Ik heb nee leren zeggen’

„De eerste weken ben ik thuis gebleven. Toen ben ik wel in een soort van mini zwart gat terechtgekomen. Ik miste de dagelijkse routine van het trainen en ik haalde nergens anders echt voldoening uit. Natuurlijk ben ik wel wat vaker met vrienden gaan afspreken, ging ik uit eten of naar de film. Ik ben zelfs naar een volleybalwedstrijd geweest. Maar dat was allemaal surrogaat aan wat ik eigenlijk wilde: zo snel mogelijk weer op die fiets zitten.

„Als ik gewoon heel even keihard een berg op had mogen fietsen, was het allemaal veel makkelijker geweest. Ik heb die dagen wel gehuild, ja. Zat ik me op de bank af te vragen wat ik nu weer moest gaan doen, ik had geen idee. Tot die tijd had ik op één ding altijd kunnen bouwen en dat was mijn lijf. Dat vertrouwen was ineens weg. Dat is behoorlijk eng.

„Op een gegeven moment bedacht ik misschien maar weer een studie op te gaan pakken. Ik ben op internet dingen op gaan zoeken over cursussen op het gebied van coaching. Het leek me leuk om sporters te gaan begeleiden in 1-op-1-gesprekken. Maar dat idee heb ik gauw weer geparkeerd. Ik ben nog niet klaar op de fiets, nog lang niet zelfs, dus ben ik me volledig op mijn herstel gaan richten. Een uurtje rustig fietsen, baantjes schoolslag in het zwembad tussen de bejaarden, wat krachttraining; daar heb ik me mee kunnen vermaken.

„De grootste valkuil was dat ik me zou laten verleiden om op de fiets toch wat te versnellen. Ik houd van het spelletje, competitiedrang zit er diep in bij mij. Dus dat ben ik bewust uit de weg gegaan.

„En ik heb nee leren zeggen tegen mensen, mijn eigen belang heb ik leren voorop te stellen. Ik had geen trek in interviews, in optredens op televisie. Het paste niet. Dat was nieuw voor me.”

‘Egoïsme hoort er niet bij’

„Een van mijn problemen is dat ik nooit nee kon zeggen. Tegen niemand. Ik wil het liefst door iedereen aardig gevonden worden. Het was tot dat moment altijd eerst de ander. In mijn woordenboek komt het ‘zelf’ helemaal niet voor. Geen idee waar dat vandaan komt. Dat zit denk ik zo ingebakken in mijn karakter.

„Mijn ouders, mijn broer; we hebben allemaal dat zorgzame voor de ander. Ik ben, zoals veel mensen hier in de regio, protestants opgevoed. Daarin is naastenliefde erg belangrijk. Egoïsme hoort er niet bij.

„In september ben ik op vakantie gegaan, eerst een weekje met een vriendin en daarna anderhalve week alleen in een bed&breakfast op Sardinië. Het was heerlijk. Ik kan heel goed alleen zijn. Het is zo lekker om je niet te hoeven profileren ten opzichte van anderen.

„Thuis wordt er voortdurend een beroep op je gedaan en dat is ook helemaal niet erg, maar in Italië hoefde ik niets. Ik heb veel gewandeld, in de zee gezwommen, ja, wel altijd iets met mijn lijf. Zo had ik mijn dagelijkse doel. Dat in combinatie met rust heeft me erg goed gedaan.

„Terug in Nederland vond ik afleiding in de bouw van mijn nieuwe huis. Ik heb het aanvankelijk laten bouwen met het idee er samen met een levenspartner te gaan wonen, maar tot op heden heb ik de ware nog niet gevonden. Ik bedoel, ik zie best wel eens iemand lopen hoor. Maar kennelijk sta ik er niet genoeg voor open. Ik zou het ook maar lastig vinden geloof ik. Dan ben ik net toe aan het werken naar een belangrijke wedstrijd, en dan ben ik samen met iemand in wie ik ook tijd moet steken. Dat gaat niet lekker samen.

„En ik ben inmiddels ook wel erg aan mijn vrijheid gehecht. Een psycholoog zou het bindingsangst noemen, dat denk ik wel. Maar ik voel me er heerlijk bij. Ik wil zelf controle houden op de beslissingen die ik neem. Als mensen echt dichtbij komen, ben ik bang om mezelf te verliezen.

„Voorlopig woon ik er samen met mijn ouders en mijn broer en dat bevalt prima. Het grappige is: ik ben nooit graag thuis geweest. Het is dat je thuis moet eten en een dak boven je hoofd nodig hebt. Ik ben veel liever onderweg of buiten. Maar nu ik mijn eigen huis heb laten bouwen, is dat wel anders. Ik heb leren waarderen thuis te zijn en ook om er helemaal niks te doen.

„Ik vraag mezelf nu bij weer een verzoek om een lezing te geven of een clinic, een interview: past het in míjn schema? En heeft het nut dat ik mezelf nu wegcijfer? Ik heb afgelopen jaar meer geleerd dan in tien jaar van medailles winnen.”

‘Ik heb een lastig karakter’

„Ik weet het, ik heb een lastig karakter. Iemand in m’n ploeg zei: ‘zou een psycholoog wat voor je zijn?’ Mijn eerste reactie was: dat heb ik toch helemaal niet nodig? Ik kan toch zelf prima inschatten wat goed is voor mij? Maar ik ben toch maar gaan zoeken. „Het luistert nauw: ik kan bij lange na niet bij iedereen mijn verhaal kwijt.

„Sinds een maand heb ik een psycholoog met wie ik nu één keer heb gesproken. Bij die eerste sessie liet hij me zien dat ik veel te hard ben voor mezelf. Zo hard zijn is niet normaal. Alles moet bij mij altijd perfect gaan, terwijl ik weet dat dat niet kan.

„Op de manier waarop ik olympisch kampioen werd in Londen heb ik wel wat aan te merken, ja. Ik had de sprint nooit zo vroeg aan moeten gaan. Die titel beoordeel ik met een 9. Ik denk dat een 10 niet mogelijk is in mijn wereld.

„Sinds twee maanden mag ik weer voorzichtig uren maken op de racefiets. Het moet allemaal heel voorzichtig, want ook bij mij verdwijnt mijn conditie volledig als ik niets doe. Ik merkte het tijdens de eerste training, 1 november. Na minder dan anderhalf uur fietsen kreeg ik hongerklop. Het waaide die dag hard en ik ben denk ik toch wat te ver gegaan.

„Ik vind rustig aan doen heel moeilijk. Tijdens een wedstrijd kan ik het zelfs niet. In november ben ik naar Zuid-Afrika geweest om daar vijf weken te trainen in warm weer. Daar heb ik me aangesloten bij de nationale ploeg. Van tevoren heb ik goed moeten bedenken dat het niet erg zou zijn als ik vroegtijdig de bus in zou moeten omdat ik het niveau van de anderen nog niet aan zou kunnen. Zonder daar over na te denken had ik het gevoel gekregen te falen als ik eerder moest stoppen. En falen vind ik vreselijk, oeh. En inderdaad: ik ben een paar keer gestopt toen de rest nog een extra rondje ging maken. En ik vond het niet erg.

„Maar daarom doe ik dus ook nooit mee als we met de ploeg gezelschapsspelletjes gaan doen. Ik ga dan altijd zitten lezen. Ik had ook eigenlijk meteen spijt toen ik de uitnodiging accepteerde om mee te doen aan de Nationale IQ-test [uitslag: 127]. Ik had daar ook keihard dicht kunnen klappen en 100 kunnen scoren. Dan was ik echt een paar dagen ongelukkig geweest.

„Hoe de komende maanden eruitzien? Ik moet bij de beste vier wielrensters van Nederland horen. Op 31 mei sluit de kwalificatie voor de Spelen van Rio. In de klassiekers vanaf eind februari moet ik het laten zien.

„Of ik op tijd fit ben, ik zou het echt niet weten. Ik weet ook niet waar ik nu sta. Er komen weer tests aan. Die zijn spannend. Maar niet spannender dan de voorbereiding op de Spelen, ik herken deze spanning wel.

„Het doel is om terug te keren op mijn oude niveau. Dat zou goed genoeg moeten zijn om weer mee te doen met de besten. Maar het is afwachten of ik blijvende schade heb opgelopen door die overreaching. Afwachten en hopen.

„Maar als ik het niet haal, voelt dat niet als een nederlaag. Dan heb ik het in elk geval geprobeerd. Ik weet nu dat ik prima ben zoals ik ben, ook zonder fiets. Ik ben niet meer afhankelijk van mijn medailles. En dat is een rijke gedachte.”