Haal de lijken niet uit de vitrinekasten

Het Rijksmuseum van Oudheden legt de naakte kindermummie in het depot. Te confronterend. Maar sinds wanneer verwachten we van een museum geen confrontaties meer, vraagt Christiaan Weijts.

De naakte kindermummie, in het depot van het Rijksmuseum van Oudheden.

Toen ik nog in Leiden woonde, heeft een Egyptologiestudente me eens na sluitingstijd rondgeleid in het Rijksmuseum van Oudheden. Vooral dan ervaar je de raadselachtige macht die er van de mummies uitgaat. De tijd zelf is er gebalsemd en ingezwachteld. Je begint vanzelf te fluisteren, en ineens stokt je adem, want daar ligt hij: het mummiejongetje, tweeduizend jaar oud. Hij ligt daar zo onaantastbaar, zo vreedzaam concreet, zo hartverscheurend sereen.

Dit jongetje zegt iets wat geen enkel bijschrift of boek kan vertellen. Hij laat je voelen wat tijd is, vergankelijkheid. Niet voor niets inspireerde hij kunstenaars: van Marlene Dumas tot de grote Leidse dichter Cees van Hoore.

We zullen het jongetje nooit meer zien, want een nieuwe ethische wind heeft hem van de zaal verdreven naar het depot. Bezoekers kregen moeite met hem. Een nieuwe conservator stelde donderdag in deze krant: ‘Een mummie is een mens. Het wordt tijd dat we hem ook zo behandelen.’

Als dat het argument is, dan moet zij consequent zijn en álle mummies weghalen, zoals het Egyptisch Museum in München al heeft gedaan. En als mummies mensen zijn, dan zijn de veenlijken in het Drents museum dat ook, net als de schedels in het Teylers en andere natuurhistorische musea. En als voor die mensenresten ook mensenrechten gelden, dan sluit je ze niet harteloos op in depotkelders. Dan krijgen we het nog druk met al die ceremoniële herbegravingen. Maar nee, alleen dit ene jongetje verdwijnt, juist omdat hij zo aangrijpend mooi geconserveerd is dat hij bezoekers van hun stuk brengt.

Het is een bedenkelijke tendens in museumland om bij elk kreetje kritiek van morele aard meteen de afschermwanden uit te klappen. De negerknechten, zigeuners en eskimo’s worden doorgekrast op de bordjes, het bloot gaat naar de depots zodra de gelovigen erdoor van slag raken, en nu verdwijnt ook de dood uit de vitrines.

Natuurlijk, je moet terughoudend en waardig omgaan met menselijke resten, zeker als ze uit recente eeuwen stammen of door kolonialen zijn geroofd. Boudewijn Büch beschrijft ergens wat hij ‘in de achterafkrochten’ van allerlei volkenkundige musea aantrof: ‘Wat kinderen op sterk water, geprepareerde bovenlijven en door koppensnellers versierde mensenhoofden’ (De hele wereld in een vitrinekast). Terecht concludeert Büch: ‘Historische fouten en smakeloosheid zijn er om goedgemaakt te worden.’

In 1998 had de Rotterdamse Kunsthal een tentoonstelling waar een tweehonderd jaar oude Eskimo-mummie werd tentoongesteld, tot woede van de Groenlandse premier. Wim Pijbes, toen nog conservator bij de Kunsthal, reageerde lacherig: ‘Straks komen de Egyptenaren hun mummies nog ophalen.’

Over die Groenlandse mummie was de discussie zinnig en terecht. Maar die Egyptische mummies zijn echt van een totaal andere orde. Tweehonderd of tweeduizend jaar is een groot verschil. De lijken in de RMO-kasten zijn overduidelijk archeologische vondsten. Geen Egyptenaar claimt ze terug of eist een herbegraving, want de beschaving waaruit ze voortkomen is verdwenen. De verbanning uit de tentoonstellingsruimte getuigt van een doorgeslagen ethiek.

Het echte bezwaar is niet dat mummies mensen zouden zijn, maar dat deze ene naakte kindermummie ál te menselijk is. ‘De confrontatie is te groot,’ zei de museumdirecteur in deze krant.

Dat lijkt vreemd, voor een publiek dat niet om nieuwsbeelden heen kan van dode jongetjes op het strand, onthoofdingen in de woestijn, enzovoorts, maar ik begrijp het wel. Oog in oog met die naakte essentie staan, niet via krantenpapier of een plat scherm, maar tastbaar, voelbaar - dat is inderdaad een confrontatie. Maar sinds wanneer verwachten we van een museum geen confrontaties meer?

Een museum is geen themapark dat een plastic verleden in prettige consumptiehapjes opdist. Mummies hebben in dit museum niets Indiana Jones-achtigs, niks cartoonesks. Het is geen luguber griezeltheater, maar een ruimte waar een wonderlijke, met niets te vergelijken tijdloosheid hangt. Waar de mummies worden teruggebracht tot hun aangrijpend heldere realiteit. Dit schitterende museum in Leiden is er in geslaagd een atmosfeer te creëren die je in één oogopslag duizenden jaren terug in de tijd stuurt, met alle waardigheid, stilte en mysterie die daarbij hoort.

Het mummiejongetje doet ongeveer wat die lavabeelden in Pompeiï doen, die toevallig uit dezelfde tijd komen: dat moment in de tijd is gestold, als een onvoorstelbare en aangrijpende realiteit die ontzag wekt, ontroert en je verbluft laat stilvallen. Zulke ervaringen mag een museum zijn publiek niet ontnemen.