Gezocht: gezinshuis

Harold en Margriet Tjalsma runnen een gezinshuis, waar jonge moeders met problemen onder begeleiding hun kind opvoeden. Er is een groot tekort aan plaatsen in deze voorziening, die voorkomt dat een kind van pleeggezin naar pleeggezin wordt gesleept en zich niet meer kan hechten. „Zelf had ik dit als kind ook wel gewild.”

Tekst Freek Schravesande Foto’s Merlin Daleman

Gezinshuis in Groesbeek voor moeders met gedragsproblemen of een verstandelijke beperking, opgezet in 2013. In Nederland is nog één ander gezinshuis met deze specialisatie.Foto's Merlin Daleman

‘Mama, mama.” Terwijl haar zoontje onder tafel verdwijnt, toont Aartje op een briefje haar dag. 12.15 ‘lunch.’ 12.45 ‘boekje voorlezen.’

13.00 ‘koelkast schoonmaken.’

Ze wijst. „Dat vieze ding daar. Ben ik vorige week anderhalf uur mee bezig geweest en nu weer.”

Aartje, 24 jaar, vertelt alles met een glimlach. Ze draagt een knalroze trui en grote ronde oorbellen. Ze woont in een opvang voor moeders met jonge kinderen.

Het lukte niet meer alleen. Aartje deed de lerarenopleiding maatschappijleer maar twee keer was haar zoontje ziek terwijl ze tentamenweek had. Moest ze alles in de herweek doen. En opstaan is ook niet haar beste kant. Had ze de hele nacht gechilled met vriendinnen, moest haar zoontje ’s ochtends naar de crèche.

Ze zocht structuur en na een verblijf in een huis voor tienermoeders meldde Aartje zich vrijwillig bij Moederkindhuis Twentyfourseven van Harold en Margriet Tjalsma in Groesbeek. Daar, in het keukentje met die koelkast, vertelt ze over haar relatieverslaving en over foute mannen.

Want intussen heeft Aartje twee kinderen, van twee foute mannen, en laatst had ze wéér zo’n type op het oog. Het patroon: ze ontmoet een jongen die net als zij een weinig liefdevolle jeugd heeft gehad. Hij zoekt iemand om op terug te vallen, zij iemand om voor te zorgen. Hij begint haar pijn te doen, kent hij van vroeger. Zij vertrekt, vergeeft, vertrekt en vergeeft. Kent zij van vroeger. Het cirkeltje wordt een razendsnelle spiraal naar beneden. Ze zou het patroon graag doorbreken en zit ervoor in therapie.

Moeilijke vaders

„Vaders.” Margriet Tjalsma zwijgt even. „Oké, hoe zeg ik dit netjes.”

Samen met Harold zit ze aan de eettafel in de naastgelegen ruimte. Ze hebben de opvanglocatie ruim twee jaar geleden opgericht als franchise van welzijnsorganisatie Driestroom.

Jonge moeders met een verstandelijke beperking en/of psychiatrische problematiek wonen er onder intensieve begeleiding samen met hun kinderen. En eerst wilden ze, heel idealistisch, ook alle vaders erbij betrekken. Maar daar zijn ze nu wat van teruggekomen. „Dat is echt ver-schrik-ke-lijk ingewikkeld. Veel hebben zelf ook een moeilijke jeugd, gedragsproblemen.”

Sommigen zijn echt van goede wil. Die houden zich aan de afspraken en de bezoektijden en helpen met de verzorging van hun kind. Eén vader woont nu in het gezinshuis samen met moeder en kind. Dat gaat prima.

Maar er zijn ook vaders met een huisverbod. Een vader die eens was weggestuurd belde later dreigend op. Met de politie is regelmatig overleg. „Of we horen dat de meiden het gevoel hebben dat ze door een vriend van één van de anderen worden bekeken”, zegt Harold Tjalsma. „Er zijn te veel lijntjes, iedereen bemoeit zich met elkaar.” Margriet Tjalsma: „Social media hè. ‘Jouw vriend volgt mijn vriend op Instagram!’ lees je dan. En allemaal commentaar eronder.”

Voor het makkelijkste levenspad hebben ze niet gekozen. Naast ouders van drie biologische kinderen (15, 13 en 10) zijn de Tjalsma’s pleegouders van drie pleegkinderen (12, 8 en 7) en runnen ze een gezinshuis met zeven moeders en elf kinderen. Ze hebben een wasvrouw in dienst, een knuffeloma, zes begeleiders, een scholingsdocent, twee kinderdagverblijfleidsters en een zorgcoördinator – tevens gedragsdeskundige.

Zelf wonen ze met het hele gezin pal ernaast. De hele kluwen in één groot geschakeld huis, een voormalig schoolgebouw midden in een rustige woonwijk. Het oude schoolplein is nu de achtertuin inclusief zandbak, trampoline en kinderboerderij. Privacy is er weinig. Als Margriet Tjalsma ’s zomers even de zon meepakt, hoort ze die meiden ernaast een opmerking maken.

Ze vertellen er blijmoedig over, net als Aartje. Harold en Margriet Tjalsma komen zelf uit een gezegend milieu, dat motiveert. En het voelt zinvol. Voorheen was Margriet verpleegkundige en Harold moleculair bioloog. Hij wilde de diagnostiek bij darmkanker verbeteren, maar er zat veel „ruis op de lijn”. Reorganisatie, prestatiedruk, stroperige patentkwesties. Het idealisme voelde bruut verstoord. En ook het geloof speelt een rol. Zij: „God geeft liefde die wij mogen uitdelen. Er is zó veel nood.”

Probleemmoeders

Bijna 2.500 tienermoeders telt Nederland - bijna het minste aandeel van heel Europa. Voor de meesten die niet meer thuis kunnen wonen zijn er opvanghuizen genoeg. Maar voor jonge moeders die ook gedragsproblemen hebben of laagbegaafd zijn, is er een probleem. Zij zouden het best geholpen zijn in een gezinshuis waarin ze onder begeleiding hun kind opvoeden. Maar van zulke voorzieningen zijn er in Nederland structureel te weinig.

Zorgaanbieders hebben nauwelijks oog voor de groep, constateerde JSO expertisecentrum voor jeugd, samenleving en opvoeding bij een inventarisatie in 2010. Het CDA riep de burger op zelf zo’n gezinshuis te starten en in 2013 waren Harold en Margriet Tjalsma de eersten die daaraan gehoor gaven.

Daarna kwam er nog één gezinshuis bij, in Ermelo. En dat is niet genoeg, schrijft kenniscentrum JSO in een nieuwe inventarisatie, vijf jaar later. Jeugdzorgorganisaties zijn actief op zoek naar gezinshuizen, maar die blijken moeilijk te vinden. En ook gemeenten zien een gebrek aan opvang voor jonge moeders met een beperking of gedragsprobleem. De inventarisatie is vorige maand naar de Tweede Kamer gestuurd.

De Tjalsma’s weten wel hoe dat komt. De opvang in een gezinshuis is financieel ingewikkeld. Voor de ‘probleemmoeders’ zelf is er vaak wel een ‘potje’ maar hun kinderen krijgen opvanghuizen er ‘gratis’ bij. Bij indicatiestelling telt persoonlijke problematiek, die hebben kinderen nog niet, en een indicatie voor beschermd wonen voor moeder en kind bestaat niet. Margriet Tjalsma: „Dat met een kind je leven dubbel zo ingewikkeld wordt, telt niet mee.”

Als gevolg is Harold Tjalsma vrijwel fulltime bezig om genoeg potjes bij elkaar te schrapen om het gezinshuis draaiend te houden – ervaart hij toch weer ruis op de lijn.

Terwijl, zeggen ze ook: geldt niet ‘zoals de ouden zongen piepen de jongen?’ Margriet en Harold Tjalsma zien dat patroon bij al hun cliënten: meisjes met een problematische jeugd die niemand vertrouwen en toch vaak kiezen voor het bekende, ‘de foute man’, waarna ze nog eens extra bevestigd worden in hun wantrouwen. Kind lijdt eronder, ervaart geen goede hechting en het patroon gaat weer over op de volgende generatie.

Hun boodschap: investeer in de band tussen moeder en kind als het nog niet te laat is.

Dwarsliggen

Het was de komst van hun derde pleegkind die voor Harold en Margriet Tjalsma de doorslag gaf om te kiezen voor een gezinshuis. Elf maanden oud was het meisje toen ze bij hen kwam. Het half jaar erna heeft ze alleen maar gegild en gekrijst. Ze trok haar eigen haren uit, krabde zichzelf open. Soms had ze een plasje bloed in haar oren, lag haar bedje vol rode spikkels.

Het meisje was onveilig gehecht. Ze was de eerste zes weken van haar leven ondervoed geweest. Haar ouders, laag niveau, hadden de beste wil, maar konden het zonder hulp niet aan. Een hartprobleem werd aangewend als reden om haar uit huis te plaatsen. In het ziekenhuis zag ze veel wisselend personeel. Het half jaar erna verbleef ze bij een ‘pleegoma’ en toen ze daar eindelijk de kans had om zich aan iemand in haar leven te hechten, werd ze in het pleeggezin geplaatst. Haar biologische ouders bleven oefenen met poppen, dat ging goed, maar terugkeren was toch geen optie.

Nu, zeven jaar later, zien ze de gevolgen van onveilige hechting bij haar nog dagelijks terug. Heel veel in de weerstand. Grenzen opzoeken. Veel bevestiging zoeken en kijken of ze nog wel het vertrouwen krijgt van haar verzorger. Juist door dwars te liggen.

Was ze met haar eigen ouders in een gezinshuis opgegroeid, denken Harold en Margriet Tjalsma, dan was ze beter gehecht. Sowieso was dan het ‘gezeul’ voorkomen dat vaak aan definitieve plaatsing in een pleeggezin vooraf gaat. En haar biologische ouders hadden de kans gehad om Jeugdzorg te overtuigen van goed genoeg ouderschap.

Stoken op de social media

14.00 uur. „Eigen kamer en trap dweilen en zuigen.” „Doe ik elke dag”, zegt Aartje opkijkend van het papier. „Ik was een sloddervos, maar nu maak ik elke dag schoon. Dat geeft rust.”

14.45 uur. „Zoontje zelf spelen. Aartje roken.” Een van de beste momenten van de dag. Kinderen even in handen van de begeleiding en zelf buiten met alle meiden roddelen en klagen over het huis. Hoort erbij. Zoals ook het gemijmer over relaties. ‘Ik mis ’m’, zegt er dan één, waarna in koor ‘niet terug gaan!’ klinkt.

Alleen door te roken blijf je op de hoogte van wat er speelt in de groep. Soms zijn er jaloerse blikken, of lopen er twee plots buiten te smoezen zonder de anderen erbij te betrekken. En laatst was er één die volgens de anderen had zitten stoken op social media. Die had contact gezocht met de ex-vriendjes van de anderen, ook die van Aartje, terwijl ze eerst goeie vriendinnen waren. „Ze heeft me geflasht.”

De beste resultaten behaalt een gezinshuis als het wordt gerund door een stel met kinderen. Ze dienen als ‘voorbeeldgezin’ en moeders kunnen zich er in de luwte ontwikkelen, stond in de inventarisatie van het Expertisecentrum in 2010. Het advies hebben Harold en Margriet Tjalsma opgevolgd. En soms lijkt het te werken. Dan zegt Margriet tegen de meiden „Harold heeft me in twintig jaar nog nooit uitgescholden” en kunnen zij het bijna niet geloven. „Nog nooit?”

Laatst vertelde iemand geen zelfmoordplannen meer te hebben. Een andere moeder zei: „Hoe kan dat toch, hoe bot ik ook doe, je blijft me leuk vinden.” Sommige moeders gaan sinds ze in het gezinshuis wonen trouw naar therapie. Ze leven volgens een structuur en staan met plezier weer één dag in de week in de samenleving. Dan helpen ze bij de dagbesteding van gehandicapten of ze drinken thee met dementerende ouderen in het bejaardentehuis. Het levert hen de energie die nodig is om ook de rest van het leven weer op orde te krijgen.

Andersom maken de oprichters van het gezinshuis ook mee. Dan zegt een moeder „zo’n voorbeeldman als Harold zal ik toch nooit krijgen” en vindt ze het pijnlijk om te zien hoe liefdevol de Tjalsma’s omgaan met hun kinderen en pleegkinderen. „Zelf had ik dit als kind ook wel gewild.”

Moeders hier zijn als kind soms zelf zwaar verwaarloosd geweest. Geen hechting, weinig basis en soms onvoldoende IQ om dat te compenseren. Ze hebben moeite om hun kind op de eerste plaats te zetten en kunnen niet voldoen aan de behoeftes van het kind: structuur, voeding, hygiëne, aandacht, liefde. Zo was eens het Olvaritpotje uit de magnetron te heet geworden. Margriet Tjalsma legde het even op het stenen bord van een moeder, om af te koelen. „Maar nu heb ík geen bord meer!” zei ze. Mensen die als kind verwaarloosd zijn geweest, zijn instinctief altijd bezig met de vraag of ze zelf wel genoeg hebben, weet Margriet Tjalsma nu.

Sommigen hebben een lang verleden van instellingen achter de rug. Dan lijken ze bij de intake een makkelijke cliënt, maar hebben ze gewoon zoveel hulpverleners gezien dat ze precies weten welke antwoorden ze moeten geven. Totdat na drie maanden het masker af gaat en ze regels of hulp niet meer accepteren. Als dan ook het kind gevaar loopt, moeten Harold en Margriet Tjalsma dat melden aan de gezinsvoogd van Jeugdzorg. Die beslist hoe verder. „We voelen ons soms hulpverlener en spion tegelijk”, zegt Harold Tjalsma. „Dat is best lastig.”

Intussen hebben Harold en Margriet Tjalsma al best wat moeders zien vertrekken. Naar een andere opvang. En in een enkel geval werd het kind alsnog toegewezen aan een pleeggezin. Maar er zijn ook moeders samen met hun kind doorgestroomd naar een eigen woning. „Daar doen we het voor.”

Een saaie man is beter

15.00 uur ‘theemoment’.

15.30 uur ‘naar de kermis’. Aartje: „Dan mag ’ie van mij aan touwtjes trekken, voor een prijs.”

16.45 uur ‘tafel dekken’.

17.00 uur ‘avondeten’.

17.30 uur ‘zoontje tv. Aartje afwassen’. „Die taak heb ik expres aangevraagd”, zegt ze. „Het zijn super veel pannen en borden, maar ik kom dan echt tot rust.”

Tijdens de therapie is Aartje erachter gekomen dat ze graag aardig gevonden wil worden door iedereen. Ze zoekt bevestiging, tot in het extreme. Dan zegt ze tegen mannen bijvoorbeeld dat ze niet trouw is geweest, alleen maar om te kijken hoe ze reageren.

Maar de therapie gaat goed en ook bij het bejaardentehuis, waar ze elke dinsdag werkt, zijn ze tevreden. Aartje hoopt dat ze binnenkort op zichzelf kan wonen met haar twee kinderen. Ze wil veel bereiken in het leven. Een baan, een gezonde relatie. Niet met een foute man, maar met een nette jongen. Ze heeft zo’n type al eens geprobeerd. Dat was saaier, maar oké.