En die oom, en die buurman en die leraar Duits

Mannen eigenen zich de openbare ruimte toe. Dat is van alle tijden, weet Mieke van der Linden.

Van wie is de openbare ruimte, van wie is de straat? Dat is de vraag na de gebeurtenissen in Keulen. Nu weet ik al heel lang dat mannen en jongens er de baas zijn. Bij ons in Crooswijk woonde een opa in de straat. Altijd zat daar wel een meisje of twee in het kozijn. Volgens mijn moeder was hij een vieze vent. Ik ben nooit bij hem binnen geweest. Ik ben ook nooit ingegaan op de uitnodiging van de man van het snuisterijwinkeltje om in zijn kantoortje ‘leuke boekjes’ te bekijken. Het was 1960, ik was acht.

Een vader van een vriendinnetje had altijd opmerkingen over mijn lichaam; op verjaardagsfeestjes vroeg hij of mijn tietjes al waren gegroeid. Toen was ik tien. In het Kralingse Bos was ik op zoek naar paddestoelen, toen daar ineens een vent in een blauw trainingspak opdook. Hij liet zijn stijve lul aan me zien. Op mijn twaalfde liep ik eens op de Nieuwe Binnenweg in Rotterdam. Al gauw reden een man en een vrouw in een auto naast me. De vrouw wenkte me. Ik liep door. Even later stonden ze op de hoek te wachten. De vrouw hield uitnodigend het portier van de auto open. Ik liep door.

In de tijd van de Beatles, Swingin’ London en Mary Quant waagde ik me aan de minirok – de zoom reikte net tot boven mijn knie. Op de Rotterdamse markt kwam een vent achter me staan en zwiepte zijn paraplu tussen m’n benen omhoog. Hij was wat we toen noemden een gastarbeider.

Mijn zus en ik reden op onze Mobylette en Solex bij Brielle. Twee blonde jongens kwamen ons op een buikschuiver tegemoet. De voorste greep een van mijn borsten. Mijn zus en ik gingen naar een optreden van The Golden Earring, in Gouda. We zaten in een volle trein, een jonge gastarbeider tegenover ons. Hij had zijn hand in zijn broek, trok zich af en kwam klaar. Een natte plek vormde zich in zijn kruis. En niemand zei er iets van, ook niet toen wij elders gingen zitten. We dachten dat wij het hadden uitgelokt.

Op de havo vroeg een leraar Duits of ik met hem naar een boetiek wilde, om een nieuwe pantalon voor hem te kopen. Later in de week zei hij dat het leeftijdsverschil tussen ons niet zo groot was; hij was 34, ik 17. Mijn vriendin en ik lachten hem midden in z’n bek uit.

Met dezelfde schoolvriendin fietste ik van Crooswijk naar het Zwaanshals in het Oude Noorden. Een fietstochtlang werden we achterna gezeten, nageroepen en nagefloten door jonge mannen uit het Middellandse Zeegebied. Een aantal maakte rukgebaren.

Ik ging naar concerten in de Doelen en liep dan vaak met vriendinnen terug naar Crooswijk. We werden regelmatig achterna gezeten. Een keer begon een gast zich ter hoogte van de Heinekenbrouwerij midden op straat af te trekken.

Na de middelbare school vertrok ik naar Londen. Ik had een bijbaantje in de Embassy Club, een dure discotheek achter Piccadilly. ’s Nachts nam ik een taxi naar Noord Londen, zo’n zwarte London cab, want dat was veiliger dan een minicab, zei men. Maar op een nacht zei juist de chauffeur van de black cab dat ik niet hoefde te betalen. Maar dan moest ik wel met hem vozen.

Later, ik woonde aan Brixton Road in Londen, liep ik met mijn toenmalige vriendje naar huis. Een auto vol zwarte jongens kwam naast ons rijden. „Hee Blondie!”, riep de dikste gangsta, „you know what I’m gonna do with you once we got you inda car?! I wanna suck your clit so hard that it will kill you!”

Vijftien minuten slingerden ze obsceniteiten naar mij. Eenmaal thuis overwoog ik de politie te bellen, maar uiteindelijk had ik geen zin om hun kreten te herhalen.

Terug in Nederland ging ik in de media werken. Hoewel ik inmiddels was getrouwd, greep een aantal coryfeeën mij bij mijn borsten of achterwerk, of maakte dubbelzinnige toespelingen. Een oudere collega zei dat al die kerels dat doen. „Ze proberen het gewoon.”

Inmiddels woonde ik weer in Rotterdam, in Delfshaven, met mijn man, om de hoek bij de toenmalige tippelzone. Op straat werd ik vaak aangesproken door hoerenlopers. Ook gek, toen ik hoogzwanger was, groeide hun animo alleen maar.

Laatst wachtte ik met mijn fiets aan de Westblaak op het stoplicht. Naast mij stopte een man van een jaar of tachtig in een scootmobiel. Hij vroeg of ik met hem mee ging naar zijn huis. „Heeft u geen kinderen die langs kunnen komen?”, vroeg ik. „Nee”, zei hij, „die hebben het te druk. Ik vind jou echt een lekker wijf, waarom ga je niet mee?”

Wat er in Keulen is gebeurd, is niets nieuws. Alleen het massale karakter ervan is opmerkelijk. Mannen eigenen zich de openbare ruimte toe – dat is van alle tijden, rangen, standen en kleur.