Bulletje, Big Brother en mobieltjes

De eerste videoclip op TMF, de introductie van reality-tv, het begin van het internet. Het heeft Nederland veranderd, en het gebeurde allemaal terwijl de dertigers van nu opgroeiden. Peter Zantingh (32) herinnert het zich nog goed.

Er was het begin van het internet, dat ons huis binnenkwam op een cd-rom. Je kon die schijfjes gratis halen bij elektronicawinkels, en het dan thuis ‘installeren’. Dat herinner ik me.

Ik herinner me Baantjer op vrijdagavond, en Telekids op zaterdagochtend. Met helemaal aan het eind, rond het middaguur, wanneer je eigenlijk al te lang voor de televisie had gezeten, ‘Pittige Tijden’. Carlo Boszhard als Meta: „Ik ben een mon.”

Verder: Scandinavische series bij Villa Achterwerk, de derriedouche bij de Droomshow. En de mini-playbackshow, waarbij ze eerst kleren gingen uitzoeken en dan in zo’n ronde tunnel gingen staan om naar het podium te worden getransporteerd, en dat beest dat in de jury zat, Bulletje, die altijd verliefd werd op de meisjes. En dat afsluitende liedje, met levenslessen die me nog steeds weleens te binnen schieten.

Verontrustende berichten over het milieu, het kappen van bossen en de ozonlaag, en een cassettebandje van Bassie en Adriaan met daarop een liedje erover. Ze zongen: „Een regendruppel smaakt al naar azijn.”

Later ook hun televisieserie waarin ze op allerlei plekken in Europa een pakketje moesten zoeken aan de hand van een cryptische aanwijzing. Het begin van een fascinatie met Europa en zijn mooiste plekken die tot op de dag van vandaag voortduurt.

De balletjes verzamelen die achterbleven in het inktpatroon van je vulpen.

Voor het eerst zoenen, op een feestje op zolder, met een meisje uit mijn klas. En dat de volgende dagen aan één stuk door ‘What’s up?’ van 4 Non Blondes in mijn hoofd zat, omdat dat liedje had geklonken toen we aan het zoenen waren.

Super Mario Bros spelen op de Nintendo 8-bit, en precies weten waar alle extra levens verborgen zitten.

Flippo’s.

Bij mijn beste vriend en zijn broer logeren en de meisjes uit Beverly Hills 90210 met elkaar vergelijken, en me met enige verlegenheid durven uitspreken voor een favoriet. (Kelly.)

Prinses Diana

Een kind onder de evenaar wordt later vaak een bedelaar.

Heartbreak High na schooltijd.

Wakker worden op een zondag, mijn eerste eigen, 32cm-televisietje aanzetten en beelden zien van een donkere tunnel, en het nieuws horen dat prinses Diana daar is verongelukt.

De Elfstedentocht kijken en ondertussen steeds naar buiten rennen, want ook op de sloot voor het huis lag het ijs centimeters dik, dus alsmaar binnen zitten, was zonde.

De Birkenstocks van mijn moeder.

Journaalitems over de gekkekoeienziekte.

De te lage bal van MaliVai Washington die in het net belandde, en Richard Krajicek die aan de andere kant van dat net op z’n knieën ging. Ik was bij een vriendje thuis, het was zomer, en een Nederlander had Wimbledon gewonnen.

Spelletjes. Eerst Doom, een first person shooter, lang voordat ik wist dat die term bestond. Toen FIFA 98, waarbij je ook in de zaal kon voetballen, en ‘Song 2’ van Blur dat te horen was tijdens het menu. Later Commandos, waarbij je tijdens missies een legereenheid van de geallieerden in steeds moeilijker wordende levels langs de Duitsers moest krijgen, en dat ze in Duits accent „Alarm, alarm!” riepen als je gesnapt werd.

Weer later: The Sims. Een huis bouwen, een baan vinden en vrienden maken. Nét te veel geld uitgeven aan m’n huis, waardoor ik elke ochtend mijn bed moest verkopen om geld te hebben voor een koelkast, en ’s avonds vice versa.

De speech uit Independence Day, van de president die de wereld toespreekt als de cruciale aanval op de aliens op het punt van beginnen staat, en dat ik zijn woorden kon playbacken. „We will not go quietly into the night. We will not vanish without a fight.

De afkortingen van leraren op de middelbare school, waarmee hun afwezigheid – en daarmee jouw tussenuur – werd medegedeeld op A4’tjes in de hal.

De lancering van TMF en de spanning van clips. ‘No diggity’. ‘I got 5 on it’. Björk die van de straat opstijgt in It’s oh so quiet en de rook om het hoofd van Coolio in ‘Gangsta’s paradise’. Later The Box: zélf via de telefoon clips kunnen aanvragen, maar vooral afwachten tot anderen dat deden. De driecijferige code die elk liedje had, en dat je kon zien, onderaan in beeld, dat iemand op dat moment belde en drie toetsen intikte. En op de Teletekstpagina kon je dan zien welk liedje dat was.

Uren wachten totdat iemand ‘Onderweg’ van Abel had aangevraagd.

Een petitie tekenen om Radio 538 in de ether te houden en die opsturen per briefkaart. Denken dat ik ‘Wonderwall’ van Oasis stom moest vinden, omdat het geen Charly Lownoise en Mental Theo was, maar er stiekem voor vallen, en toen voelen hoe mijn muzieksmaak onomkeerbaar kantelde.

Vijftien miljoen mensen

Acda en de Munnik. De zomerhit ‘Niet of nooit geweest’ en ze zien optreden in het Vondelpark op een mooie zomerdag, met in mijn hoofd het prettig bedwelmende van een van mijn allereerste katers.

Feestjes met Passoa-jus, en discotheken met Bacardi Breezers.

WK’s en EK’s waar we gewoon bij waren.

Vijftien miljoen mensen op dat hele kleine stukje aarde.

MSN’en, met vrienden die ellenlange profielnamen hadden, met allerlei hartjes en AFwIsSeLeNd hoofdletters en kleine letters.

Big Brother en De Bus, de variant die SBS 6 verzon.

De eerste cd-branders, en de opwinding die dat met zich meebracht. Je eigen cd’s branden. Op internet de hoesafbeelding zoeken, die printen (langzaam en krassend, reepje voor reepje, kwam-ie eruit) en in het doosje schuiven.

Friends.

Mijn eerste mobiele telefoon, en later een Nokia met Snake erop. De prikkel als er een klein envelopje in het scherm verscheen. Ik had een bericht ontvangen. Een bericht!

De millenniumbug.

De televisie aanzetten op 11 september.

Oud en Nieuw vieren in een discotheek, met daar om de hoek een pinautomaat waar die nacht voor het allereerst euro’s uit zouden komen. En mijn oma, die alle verschillende munten uit de guldentijd voor me had verzameld, om te bewaren. Ze jaren later, in 2015, bij het opruimen terugvinden in een blauwgrijze envelop van de Postbank, en weer even terug zijn.