Ayagyuumiitqapiartua

Er zijn talen die het wie, wat, waar, wanneer en hoe van een handeling allemaal in het werkwoord stoppen. Zo ontstaan ellenlange woorden die alleen voor een kleine taalgemeenschap begrijpelijk zijn.

Canadese Inuit-jongen. Zijn familie is op pelsdierenjacht. foto ton koene/hollandse hoogte

‘Ik heb eigenlijk geen zin om te gaan.’ In het Nederlands zijn er acht woorden nodig om dat te zeggen. In de Eskimotaal Yupik volstaat één woord: ‘Ayagyuumiitqapiartua’. Een heel lang woord, inderdaad, opgebouwd uit zes stukjes: Ayag-yu-umi-it-qapiar-tua. Het eerste stukje, ‘ayag’, betekent ‘gaan’. De overige vijf zijn uitgangen die daar betekenissen aan toevoegen: ‘willen’, ‘niet’, ‘eigenlijk’, ‘ik’ en dan nog een grammaticaal elementje dat aangeeft dat het om een toestand gaat.

In Noord-Amerika wemelt het van de inheemse talen die het zo doen: zoveel mogelijk informatie in het werkwoord stoppen. Niet alleen alle Eskimotalen doen dit, maar ook een heleboel Indiaanse talen. In de negentiende eeuw bedacht een Amerikaanse taalkundige daar de term ‘polysynthetische talen’ voor, en die wordt nog altijd gebruikt.

De expert op dit gebied, Marianne Mithun, was onlangs in Leiden. Ze was daar als voorzitter van de Linguistic Society of Europe, al is ze zelf Amerikaans. Ze is vooral bekend om haar boek The Languages of Native North America uit 1999, een moedige poging om een eerste overzicht te geven van de honderden Indiaanse en Eskimo-talen die er nog zijn in de VS en Canada. Mithun schrijft daarnaast veel over ‘polysynthese’. Ze heeft er, samen met anderen, net een boek over afgerond: The Oxford Handbook of Polysynthesis.

Polysynthetische talen wijken in hun woord– en zinsbouw radicaal af van wat we in Europa gewend zijn. Bovendien zijn het allemaal talen die binnen kleine gemeenschappen gebruikt worden: taalgemeenschappen met hooguit een paar duizend sprekers.

Hoe werkt die polysynthese precies? Hoe ver kan een taal daarin gaan? „Soms behoorlijk ver”, zegt Mithun. „Maar dat verschilt per taal. In de meeste polysynthetische talen is het zo dat je in ieder werkwoord een kern kunt aanwijzen, maar dat die kern niet zelfstandig voorkomt. Die heeft altijd uitgangen nodig. Of voorvoegsels, want sommige talen werken minder met uitgangen en meer met voorvoegsels: elementjes die niet áchter die kern, maar vóór die kern geplaatst worden.”

Geen idee

In het Mohawk, de Noord-Amerikaanse taal die ze het best kent, is de kern die ‘eten’ betekent niet veel meer dan de klank ‘k’, vertelt ze. „Maar niemand zal in die taal ooit ‘k’ zeggen. Als je ‘k’ zegt tegen een spreker van het Mohawk, zal hij zelfs geen idee hebben waar je het over hebt.” Daar moeten altijd uitgangen achter of voorvoegsels voor.

In het Nederlands hebben werkwoorden de neiging om woorden om zich heen te verzamelen: een onderwerp, een lijdend voorwerp, een meewerkend voorwerp. In de polysynthetische talen werkt dat zo: als dat dingen zijn als ‘ik’, ‘jij’, ‘hem’, ‘dit’ en ‘dat’, die je in het Nederlands weergeeft met voornaamwoorden, dan stop je dat, in die talen, gewoon ‘in’ het werkwoord. In Europa gebeurt dat alleen sporadisch. Als een Spanjaard ‘Vamos’ (‘We gaan’) zegt, zit het onderwerp (wij) alleen in de uitgang van het werkwoord (‘-mos’) en verschijnt het niet nog eens als een apart woord.

In polysynthetische talen kun je zo ook een lijdend voorwerp in het werkwoord stoppen. ‘Ik zie jou’ is dan, bijvoorbeeld, ‘zie’ plus twee uitgangen: een die ‘tegenwoordige tijd’ betekent en een die ‘ik-jou’ betekent. „Vervolgens kun je dat enorm uitbreiden”, legt Mithun uit. „Allerlei informatie waar je in het Engels bijwoorden voor gebruikt, kun je op dezelfde manier in het werkwoord onderbrengen: ‘blijkbaar’, ‘eigenlijk’, ‘heel erg’, ‘niet’, ‘snel’, ‘rustig’, etcetera. En dingen als ‘willen’, ‘moeten’, ‘kunnen’.”

Ook ‘Ze zei dat ze zou komen’ kan in zo’n taal met één werkwoord gezegd worden. In denkbeeldig polysynthetisch Nederlands zou dat er zo uit kunnen zien: ‘Komzouzeize’ (kom + zou + zei + ze).

Veel talen hebben ook uitgangen of voorvoegsels die ‘met de hand’, ‘met de voet’, ‘met het hoofd’, ‘met de ogen’, etcetera betekenen. Een werkwoord dat alleen ‘voelen’ betekent, volstaat niet in zo’n taal. Er moet altijd uitgedrukt worden hoe er ‘gevoeld’ wordt: met de hand, met de vinger, met een stok, met de huid?

Sommige talen gaan nog een flinke stap verder: zij stoppen ook zelfstandige naamwoorden in hun werkwoord. In het Nederlands gebeurt dat ook wel eens, maar niet heel vaak: stofzuigen, zandstralen, beeldhouwen...

In Eskimotalen is dit schering en inslag. Mithun: „Als mensen vaak op konijnen jagen wordt dat vanzelf een samengesteld werkwoord: ‘konijnjagen’. Hagelen is in zo’n taal ‘ijsvallen’. Onthoofden is ‘nek’ plus ‘mes’ plus ‘hakken’: ‘nekmeshakken’. ‘Ik heb hem onthoofd’ zou er in polysynthetisch Nederlands zo uit kunnen zien: ‘Nekmeshakhebikhem.’

In het Nederlands zijn het juist de zelfstandige naamwoorden die je op deze manier heel lang kunt maken. ‘Ongediertebestrijding’, geen ongewoon woord, bestaat uit een heleboel losse stukjes (on-ge-dier-te-be-strijd-ing), die allemaal betekenis hebben, al sta je daar niet bij stil als je het woord in de mond neemt. Ook Nederlandse bijvoeglijke naamwoorden kunnen er wat van: on-ver-bet-er-lijk. Bij de werkwoorden zijn de mogelijkheden wat beperkter: slaap-wandelen, ont-hoofd-en, her-zien. Dat is niet te vergelijken met wat er in Noord-Amerika allemaal kan.

Altijd één hoofdaccent

De vraag is natuurlijk: hoe weet je dat zo’n lang polysynthetisch werkwoord maar één woord is? Hoe weet je dat het ‘Ayagyuumiitqapiartua’ is en niet ‘Ayag yu umi it qapiar tua’?

Mithun: „Je kunt dat achterhalen door de zinsbouw van een heleboel verschillende zinnen met elkaar te vergelijken, en ook door naar woordaccenten te luisteren. Er is in zo’n woord altijd maar één hoofdaccent te vinden. Maar de beste methode is: aan sprekers zelf vragen hoeveel woorden er in zo’n zin zitten. Je kunt dat het best indirect doen. Dan vraag je ze om zinnen langzaam, woord voor woord, te herhalen. Je merkt dan dat ze die polysynthetische werkwoorden echt als woorden ervaren. Woorden, die ze niet zomaar even voor jou in kleinere stukjes kunnen ophakken, die ze niet goed kunnen analyseren. Ze kunnen het toepassen, maar ze kunnen je niet vertellen hoe het werkt.”

Als je zo’n spreker een ongebruikelijke combinatie van elementen laat horen, zal hij zeggen: dat woord ken ik niet. Ook daaruit blijkt dat het om woorden gaat. Want van een ongebruikelijke zin zul je nooit zeggen: die zin ken ik niet.

Je kunt dus niet onbeperkt combineren? „Inderdaad,” zegt Mithun, „Je wordt geacht alleen combinaties te maken die gangbaar zijn. Taalkundigen die deze talen maar oppervlakkig bestudeerd hebben, hebben dat niet altijd in de gaten. Die denken soms: álles is mogelijk in deze talen. Maar zo werkt het niet. Ze gebruiken alleen combinaties die ze al eerder gehoord hebben.”

Als ‘konijnjagen’ in zo’n taal een gangbaar woord is, wil dat niet zeggen dat er voor alles waar je op zou kunnen jagen een speciaal jaagwerkwoord gemaakt kan worden. In het Nederlands is dat eigenlijk ook zo. ‘Ongediertebestrijding’ is een prima woord, maar ‘verkeersoverlastbestrijding’ niet, al zal iedereen meteen begrijpen wat je met dat woord bedoelt.

Steeds nieuwe combinaties

Mithun: „Het grappige is: je komt in zo’n taalgemeenschap soms mensen tegen die erom bekend staan dat ze heel goed en heel mooi kunnen spreken, en juist die blijken wél veel creatiever met de werkwoorden om te gaan. Die maken voortdurend nieuwe combinaties en dat wordt door de anderen gewaardeerd. Een soort esthetisch plezier is dat. Zodra zo iemand met een origineel woord komt, zie je dat er een glimlach verschijnt op de gezichten van de toehoorders.”

Sommige mensen mogen er dus wat vrijer mee omgaan. Anderen juist weer niet. „Het gebeurt ook wel dat ze tegen je zeggen: luister, met die vrouw daar moet je maar niet praten, die gebruikt woorden die niet bestaan.”

Polysynthetische talen komen ook voor buiten Noord-Amerika. In de Amazone, Papoea Nieuw-Guinea, Australië, de Kaukasus. Allemaal gebieden waar het nog wemelt van de kleine taalgemeenschappen, waar iedere taal een paar honderd tot een paar duizend sprekers heeft. Is polysynthese een verschijnsel dat vooral goed gedijt binnen kleine gemeenschappen? „Daar lijkt het wel op,” zegt Mithun. „Je kunt je daar ook wel iets bij voorstellen. In kleine, hechte groepen praat je de hele tijd met dezelfde mensen over dezelfde onderwerpen. Je kunt dan onder elkaar een heel gespecialiseerd vocabulaire ontwikkelen.”

Talen als het Engels en het Nederlands werken heel anders. Dat zijn talen waarin miljoenen mensen met elkaar moeten kunnen praten over een enorme diversiteit aan onderwerpen. Mithun: „Zodra een gemeenschap groter en diverser wordt zijn de meest extreme vormen van polysynthese niet meer houdbaar, denk ik. Een deel van zo’n gemeenschap wordt dan tweetalig, in Noord-Amerika gaan ze Engels of Frans spreken als tweede taal, een paar generaties later is dat de eerste taal geworden en is de oorspronkelijke taal gedegradeerd tot tweede taal. Zodra ze die taal niet meer tot in de finesses beheersen, gaan ze minder polysynthetische werkwoorden gebruiken. Ze gaan dan analytischer, dat wil zeggen, meer in losse woorden, formuleren, want dat kan altijd, óók in die talen.” ‘Konijnjagen’ wordt dan ‘jagen op konijnen’, ‘koopplaatsgaan’ wordt ‘gaan naar de koopplaats’. Het gespecialiseerde vocabulaire brokkelt af.

De verwachting is dus dat polysynthese langzaam van de aardbol zal verdwijnen.