Zwakke man – wat nu?

Volgens de nazi’s was hij te weinig toegewijd, terwijl exil-tijdschriften in zijn werk Blut und Boden-motieven zagen. De weifelmoedige Fallada was niet geboren voor het geluk.

Alles in mijn leven komt terecht in een boek is de ondertitel van Anne Folkertsma’s biografie van de Duitse schrijver Hans Fallada (1893-1947). Het is een citaat van hemzelf, dat betrekking heeft op zijn dwingende gewoonte ‘elk uur van de dag en de nacht’ te schrijven en alles wat hij meemaakt in literatuur om te zetten; als ondertitel van een biografie heeft het natuurlijk een toegevoegde betekenis.

Het boek over Fallada’s leven bevat een hecht gecomponeerd verhaal met een tragische hoofdpersoon wiens kracht meteen zijn zwakte is en die zijn eigen graf graaft, en twee intriges. De eerste is die van een turbulente persoonlijk leven, waarin erupties van scheppingsdrift steevast uitliepen op overspanning, en gezinsgeluk werd afgewisseld met huwelijkscrises. De tweede is de historische intrige, die handelt over Fallada’s relatie met de totalitaire heersers van zijn tijd.

Rudolf Wilhelm Friedrich Ditzen, de latere schrijver Hans Fallada, werd in 1893 geboren in Greifswald, een stadje aan de Oostzee, in een conservatief, bemiddeld milieu. Hij was vaak ziek en las dan thuis stiekem alle boeken van zijn vader, zoals Flaubert, Daudet en Zola ‘rond mijn tiende of elfde’. Na een verkeersongeluk op zijn vijftiende raakte hij achter op het gymnasium. Nu begint zijn labiele, pessimistische aard zich te openbaren.

Twee jaar later blijkt pas goed hoe erg hij eraan toe is, door een voorval dat de voorpagina’s van de kranten haalt. Rudolf en een schoolvriend doen een gezamenlijke poging tot zelfmoord en ensceneren dit, om hun families schande te besparen, als een duel om een meisje. De gebruikte vuurwapens zijn echter niet even betrouwbaar: de vriend sterft, Rudolf raakt zwaargewond.

Gevangenis

Na zijn verblijf in het ziekenhuis wordt de verwarde, depressieve adolescent in een psychiatrische kliniek opgenomen. Aangezien hij ontoerekeningsvatbaar is verklaard, is een burgerlijke, ambtelijke loopbaan geen optie meer en bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog hoeft hij het leger niet in.

Uiteenlopende, bescheiden baantjes brengen Rudolf onder de mensen. Later zal hij zijn tijd tussen landarbeiders als cruciaal voor zijn schrijverschap beoordelen: ‘ik leerde hoe ze praten en waarover ze praten, welke zorgen ze hebben.’ Van het platteland trekt hij naar Berlijn, waar hij ten prooi valt aan drank, morfine en cocaïne.

In de jaren twintig – de hyperinflatie – maakt hij zich schuldig aan verduistering en moet tweemaal de gevangenis in. Het gedwongen afkicken helpt hem nauwelijks, zoals ook toekomstige opnames in psychiatrische- en ontwenningsklinieken nooit lang effect zullen hebben: hij zal blijven vluchten in alcohol en verdovende middelen.

Het verandert wanneer hij Anna Margarete Issel trouwt. Met ‘Suse’, zoals hij haar noemt, vindt hij euforisch liefdesgeluk en krijgt hij drie kinderen. Ook veel later, als hij de huiselijke idylle tot de grond toe heeft afgebroken, geholpen door een reeks minnaressen, blijft Suse zijn steun en toeverlaat.

Uitgever Rowohlt biedt hem kansen, en Hans Fallada, zoals hij inmiddels heet, breekt in 1932 door met zijn vierde roman, Kleiner Mann – was nun?. Na het expressionisme van zijn beginperiode heeft hij zich bekeerd tot de nieuwe zakelijkheid, en dit boek over een armoedzaaier tijdens de economische crisis van de jaren twintig is in de woorden van Folkertsma ‘een echte reportageroman met een filmisch karakter’.

Wat nu, kleine man? wordt een internationaal succes en het geld stroomt binnen. Tegen deze tijd heeft Fallada zijn vaste werkwijze ontwikkeld, die inhoudt dat hij elk manuscript onder hoogspanning en in sneltreinvaart schrijft en na afloop door zijn vrouw bij de dichtstbijzijnde psychiatrische instelling wordt afgeleverd.

Concessies

Terwijl bijna iedere serieuze schrijver onder het opkomende nazisme uit Duitsland vertrekt, schrikt Fallada voor ballingschap terug. Met grote tegenzin doet hij in zijn boeken concessies aan de nieuwe machthebbers, maar hij zit tussen twee vuren.

Voor de nazipers is het duidelijk dat de ware nationaal-socialistische geest hem ontbreekt. De exil-tijdschriften veroordelen zijn werk, omdat ze er, in Folkertsma’s woorden, ‘gelijkgeschakelde, fascistoïde kitsch met Blut und Boden-motieven’ in zien.

Meteen na de oorlog werkt hij met de communisten samen, maar zijn weifelmoedigheid in de nazitijd wordt hem nagedragen. In 1947, kort na voltooiing van Jeder stirbt für sich allein, sterft hij op 54-jarige leeftijd, alleen, verwaarloosd, vergiftigd door nicotine, alcohol en slaapmiddelen.

Folkertsma is Fallada’s vertaler sinds zijn internationale herontdekking in 2008. Het drama in het leven van de grote schrijver die tegelijk een zwakke man was is aangrijpend door de zakelijke stijl van Folkertsma, die zich ook niet bezondigt aan overbodige karakterduiding. Haar biografie is op zichzelf al reden tot lezen, maar met drie opgenomen teksten van het studieobject zelf is dit boek een echte aanrader. In die geschreven zelfportretten blijkt de grote kracht van Fallada, die een echte volksschrijver was, een verteller pur sang, maar die ook bewondering oogstte van modernistische tijdgenoten als Robert Musil en Thomas Mann.