Welkom in deze zaal vol vreemden

Nergens kan de schrijver zo’n mate van perfectie bereiken als in een goed kort verhaal, blijkt uit de monumentale Penguin-bloemlezing van Britse verhalen. Die is, zoals het hoort, geen mausoleum maar een beginpunt.

Illustratie Enkeling

Geef ze eens ongelijk, de lezers die niet van korte verhalen houden. Wanneer je aan een kort verhaal begint, word je pardoes een wereld in gesmeten waar je niemand kent en waarover elke achtergrondinformatie ontbreekt – en net als je een beetje de weg weet is het alweer afgelopen. Nee, dan een roman. Daar wordt tenminste nog de tijd voor je genomen, daar worden karakters ontwikkeld, daar wordt een wereld voor je neergezet waarin je urenlang kunt verdwijnen.

Bij een verhaal moet je veel meer zelf doen. Maar dat is dan ook de kracht van het verhaal: je kan er niet in wegzakken, je wordt niet bij de hand genomen. Als lezer word je nooit zo serieus genomen als wanneer je een kort verhaal leest. De schrijver van korte verhalen gooit alle ballast overboord, hij komt direct ter zake, karakters zijn al ontwikkeld wanneer je ze leert kennen. Hij schept geen werelden, hij suggereert ze, zoals een tekenaar met een paar potloodstrepen een landschap oproept. Hij schrijft voor de goede verstaander.

De inzet bij het korte verhaal is hoog. Een mislukte roman kan altijd nog goede passages bevatten. Een mislukt verhaal is niets. Maar nergens kan de schrijver zo’n mate van perfectie bereiken als in een goed kort verhaal, omdat er geen tijd is voor afleiding en geen ruimte om je achter te verschuilen. Hij kan zich concentreren op de kern, daarom kan een verhaal een impact hebben die heftiger en directer is dan de indruk die een roman achterlaat.

Bokser

Een goede romanschrijver is een bokser die na vijftien ronden op punten wint. De schrijver van korte verhalen gaat voor een knock-out in de eerste ronde. Die knock-out kan uiterst subtiel zijn, uitgedeeld met een fluwelen handschoen; toch lig je uitgeteld op de mat, verbaasd, verwonderd en misschien zelfs dankbaar.

Neem het verhaal ‘The Longstop’ van de Engelse schrijfster Beryl Bainbridge. De verteller is een volwassene die terugkijkt op een episode uit haar jeugd in een voorstad van Liverpool tijdens de Tweede Wereldoorlog. Met haar vader, haar moeder en haar grootvader van moederskant gaat ze op zondagmiddag naar het park om een cricketwedstrijd te zien. Dat is eigenlijk alles, maar ondertussen krijg je een uitstekend beeld van een disfunctioneel gezin. Veel heeft Bainbridge daarvoor niet nodig; niet meer dan wat dialogen, de wrokkige verbazing van de moeder wanneer ze merkt dat vader ook mee wil naar het park, het feit dat de verteller haar grootvader steevast aanduidt als Mr. Baines. Niet alleen de personages, ook de oorlogssfeer (zwarte handel, verduistering, soldaten) wordt in een paar streken neergezet. Dat kan een goed verhaal dus doen: een hele wereld samenballen in zeven pagina’s. Verscheidene werelden zelfs: de binnenwereld van de verteller én de buitenwereld waarin ze opgroeide. En over knock-outs gesproken: op het eind wordt de vader nog lelijk geraakt door een onstuimig geslagen cricketbal.

Het verhaal van Bainbridge is een van de negentig verhalen die de Engelse schrijver en criticus Philip Hensher selecteerde voor de bloemlezing The Penguin Book of the British Short Story dat onlangs verscheen, in twee delen van elk ruim zevenhonderd pagina’s. De chronologisch geordende collectie begint met een verhaal van Daniel Defoe (1660-1731) en eindigt met een verhaal van Zadie Smith (1975). Onder de 62 mannen en 28 vrouwen die Hensher heeft opgenomen, bevinden zich grote namen als Dickens, H.G. Wells, Somerset Maugham, Roald Dahl en Ian McEwan, maar ook onbekendere, zoals Margaret Oliphant, Robert Aickman en L.A.G. Strong, die niet voor hun bekende collega’s onderdoen.

Over één nacht ijs is Hensher niet gegaan. In The Guardian schreef hij dat hij voor deze bundel zo’n twintigduizend korte verhalen heeft gelezen. Om een grondig oordeel over zijn keuze te kunnen geven, zou je eigenlijk ook zelf al die verhalen moeten lezen, maar dat is natuurlijk geen doen. Wat wel meteen opvalt: hoe leesbaar de verhalen uit de zeventiende en achttiende eeuw nog zijn (hoe fris en geestig is Jonathan Swift!). En wat gaandeweg opvalt: hoe levendig de gekozen verhalen zijn.

Die levendigheid is deels te verklaren uit het feit dat veel verhalen werden geschreven voor tijdschriften, en dus moesten concurreren met andere inzendingen, en streden om de aandacht van de lezer. In de gouden eeuw van het Britse korte verhaal, tussen 1890 en 1914, was het schrijven van korte verhalen voor tijdschriften een lucratieve bezigheid. Populaire schrijvers konden er ruimschoots van leven, schrijft Hensher in zijn voorwoord. In datzelfde voorwoord geeft hij een aantal kenmerken van het Britse korte verhaal. Volgens hem is dat verhaal vaak speels, maar nooit zonder emotionele diepte, en vooral: naar buiten gericht, inspelend op actuele ontwikkelingen, eerder extravert dan introvert, soms zelfs extravagant.

Joost Zwagerman

Elf jaar geleden stelde Joost Zwagerman een vergelijkbare bloemlezing samen voor het Nederlandse taalgebied, De Nederlandse en Vlaamse literatuur vanaf 1880 in 250 verhalen. In zijn enthousiasmerende voorwoord schreef hij dat het korte verhaal vaak wordt beschouwd als een ‘vrijhaven’ voor ‘buitenbeentjes, zonderlingen, eenzamen en verstotenen’. Op het eerste gezicht lijkt dat type in Henshers bloemlezing niet overheersend. Maar bij nader inzien zijn ze er wel degelijk, en dat komt doordat Zwagerman een kenmerk beschrijft dat eigenlijk voor literatuur in het algemeen geldt. Zodra je in een verhaal of een roman te maken hebt met een personage in wiens hoofd je zit en door wiens ogen je naar de wereld kijkt, zit je in een eenling, ongeacht de maatschappelijke positie en psychologische gesteldheid van dat personage.

Waar je een hoofdpersoon hebt, heb je een buitenbeentje. Zo beschouwd zit ook Henshers bloemlezing vol eenlingen – maar ze staan en handelen wel midden in de wereld, of ze nu in achterbuurten of in voorsteden wonen, in boerderijen of in landhuizen, of vechten in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog.

Hensher heeft van elke auteur één verhaal opgenomen. Een dergelijke bloemlezing is als een zaal vol vreemden. Ze spreken dezelfde taal, maar verder is er weinig interactie, ieder staat op zijn eigen eiland. Als bezoeker van deze zaal merkte ik dat ik een sterke behoefte kreeg aan meer context. Ik wilde elke vreemde die me beviel in zijn natuurlijke omgeving zien, tussen zijn broers en zusters, tussen andere verhalen van dezelfde auteur. Dat is hoe een goede bloemlezing moet werken: ze is geen canoniserend eindpunt, geen mausoleum dat slechts eerbiedige fluistering verdraagt, maar een beginpunt van waaruit je enthousiast oeuvres kan gaan ontdekken. Van een goed verhaal wil je de familie leren kennen.

Spookgeschiedenis

Een van die verhalen die nieuwsgierig maken naar een oeuvre is ‘The Library Window’ van Margaret Oliphant, een melancholische, negentiende-eeuwse spookgeschiedenis die eigenlijk een coming of age-verhaal is van een eenzaam meisje. Er is een spijkerhard verhaal over de Eerste Wereldoorlog van de relatief onbekende James Hanley. Van Penelope Fitzgerald is een verhaal opgenomen dat het mysterie van haar schrijverschap intact laat: hoe slaagt ze er toch in met zulke eenvoudige woorden en zinnen zo’n magische spanning op te roepen? In ‘Racine and the Tablecloth’ beschrijft A.S. Byatt indringend de eenzaamheid van de briljante leerling. Een ander hoogtepunt is ‘Enoch Soames’, een inventief verhaal uit 1916 van Max Beerbohm dat elke schrijver die zich miskend voelt niet zou moeten lezen: het gaat over een door de literaire wereld genegeerde dichter die een pact met de duivel sluit en honderd jaar in de tijd vooruit reist om in de catalogus van de British Library op te zoeken hoeveel boeken en artikelen het nageslacht inmiddels aan hem heeft gewijd – en dan alleen een verwijzing naar dit verhaal van Beerbohm aantreft.

De meeste verhalen in de bloemlezing spelen zich af in een Engels decor. Juist daarom vallen verhalen op die zich elders afspelen, of dat nu de postapocalyptische wereld van J.G. Ballard is of het fantasiekeizerrijk dat Alasdair Gray ons voorspiegelt. Binnen de bloemlezing werkt dat goed, in deze zaal vol vreemden krijgen deze verhalen door hun ongewone decor een geestverruimende werking die ze in hun eigen omgeving niet zo sterk zouden hebben.

Aangeklede mop

Een van de gevaren die het korte verhaal loopt, is dat het niet verder komt dan een anekdote, een aangeklede mop die je na het verrassende einde koket aankijkt en roept: ‘Nou, is dát niet goed verzonnen?’ Dergelijke verhalen heeft Hensher goddank niet opgenomen. Valt er dan niets op zijn bloemlezing aan te merken? Jawel. Sommige verhalen lijken meer gekozen vanwege het tijdsbeeld dat eruit spreekt dan om hun literaire waarde. En waar is Virginia Woolf? Hensher verklaart haar afwezigheid in het voorwoord: als Woolf geen romans had geschreven, zouden we haar verhalen zijn vergeten. Helemaal overtuigend klinkt dat toch niet.

Wat ook opvalt (maar wat Hensher niet aan te rekenen valt) is de minzame ironie waarmee sommige schrijvers met name omstreeks de voorlaatste eeuwwisseling naar hun medemensen kijken, en dan vooral naar de lagere klassen. (Wel vaker een probleem wanneer geletterden over ongeletterden schrijven.) Als je dan toch voor het komische gaat, kan je maar beter alle mildheid laten varen, zoals wordt bewezen door Saki en vooral P.G. Wodehouse, met hilarische verhalen waarin niets heilig en niemand veilig is.

Maar bij de confrontatie met minzaamheid ga je vooral de verhalen waarderen van schrijvers bij wie elke gemakkelijke vorm van ironie ontbreekt, zoals Thomas Hardy en D.H. Lawrence, schrijvers die het ernst is en die zich geen enkele neerbuigendheid ten opzichte van hun personages permitteren. Als er in hun verhalen al sprake is van ironie, dan is dat de onpersoonlijke ironie van het lot, waartegen we machteloos staan.

Dat is wat je meeneemt van deze bloemlezing: een goed kort verhaal neemt zijn lezer serieus, omdat het is geschreven met een heilige ernst, of een heilige spot. Met minzame ironie is nog nooit iemand knock-out geslagen. Bij teveel afstand eindigt elke wedstrijd onbeslist.