Steeds sterker zet Bervoets verhoudingen op scherp

Er zijn schrijvers die goed een verhaal kunnen vertellen en er zijn schrijvers die goed vragen kunnen stellen. Hanna Bervoets (1984) begint zich steeds meer te ontwikkelen tot een hybride. De hoofdvraag is steeds hoe mensen zich tot elkaar verhouden. In Alles wat er was (2013) bestond de proefopstelling uit een gebouw waarin een tiental mensen opgesloten zat, in Efter (2014) zette een medicijn dat de mens van de liefde moet genezen de verhoudingen op scherp.

Ook Ivanov bevat een medische kwestie als kern: de experimenten die de Russische wetenschapper Ilja Ivanov een krappe eeuw geleden deed om mensen en chimpansees te kruisen. Over de Rus gaat het relatief weinig in het boek: des te meer over de Nederlandse student Felix die in 1994 een jaar aanschuift in de collegebanken van New York University. Daar, buiten bereik van zijn moeder, wacht hem het echte leven, al maakt de aidsepidemie aldaar hem doodsbang. Bervoets tekent het New Yorkse studentenleven soepel, geestig en met losse hand, van de smoezelige dorms tot de alleswetende en ten diepste politiek-correcte studenten cultural analysis. Slechts zijn homoseksualiteit voorziet Felix (man, wit) van een beetje street credibility.

Die setting geeft de roman vaart, maar Bervoets ambities reiken veel verder. Felix raakt via een militante studiegenote in de ban van de geschorste onderzoekster Helena Frank die vermoedt dat de experimenten van Ivanov van doen hebben met het ontstaan van aids. Dat Bervoets deze goedwillende, maar verre van heilige wetenschapper de achternaam van de bekendste onderduikster uit de Tweede Wereldoorlog heeft gegeven is maar een van de manieren waarop Bervoets de zaken op scherp zet in deze sterke roman.

Ivanov gaat over doel en middelen in de wetenschap, over manipulatie en vertrouwen, over de verschillende verschijningsvormen van seksueel geweld, over etiketten en identiteit. Ook gaat het boek expliciet over geheugen en verdringing; het verhaal wordt twintig jaar na dato verteld door Felix, die over sommige zaken zwijgt en zich rekenschap geeft van wat hij mooier maakt (‘Nu ik dit opschrijf vermoed ik dat ik het bloed er later bij heb verzonnen’).

Maar op de achtergrond is Ivanov óók een roman over moederschap: over moeders voor wie je op de vlucht slaat, aangenomen moeders en het verlangen naar moederschap – de wens om iets tegen je borst aan te drukken. En over wat de liefde daarmee te maken heeft. Zoals een van de hoofdpersonen constateert: ‘ik wilde een jong van haar, zij wilde een jong van jou.’ Zo worden ook de contouren van Bervoets werk per boek scherper: ze komt altijd weer uit bij de menselijke pogingen om nieuwe werkelijkheden te scheppen (of het nu een virtuele wereld of een wetenschappelijk wondermiddel is) en het uitzoeken of daar nog ruimte te vinden is voor wat echt en menselijk is. De wisselwerking, kortom, tussen wat wij maken en wat wij zijn.