Schrijver, blaat niet zo. De toetsen moeten worden geramd!

In zijn Verweylezing deelde Tom Lanoye afgelopen herfst een observatie: ‘Bij het verschijnen van Connie Palmens roman Lucifer verwonderden zij en ik ons erover [...] dat bijna geen enkele recensent een grondige vergelijking had gemaakt tussen haar boek en het gelijknamige duivelsstuk van Vondel.’ Conclusie: Nederlandse critici (allemaal Montessori!) kennen hun Vondel niet. Helaas sneuvelde juist deze kritische passage toen ik Lanoye’s toespraak voor publicatie in de krant inkortte. Dat had natuurlijk niets te maken met de omstandigheid dat er in 2007 vier stukken in deze krant verschenen over de roman (als onderdeel van de NRC Leesclub) waarin Vondel precies eenmaal werd genoemd.

Gelukkig is er een herkansing: Palmens roman staat centraal bij de NRC Leesclub Live, 16 januari op Writer’s Unlimited. Dus fietste ik deze week naar een antiquariaat om voor 9 euro een 99 jaar oud uitgaafje van Lucifer op de kop te tikken. (Een Engelse vertaling verscheen vorig jaar nog). Goed stuk hoor. Ik ga mijn medepanelleden ermee om de oren slaan: ‘Indien de zon verdwaelde/ Uit hare streecke, en zich bekleede met een smoock/ Om al den aerdtkloot toe te lichten, uit een roock,/ En zwarten damp; hoe zou de vreught der weerelt sterven!’

Minder dan aan Palmen doen Vondels vlammen me denken aan het ‘schotschrift’ De lezer is niet dood van Alex Boogers, waarin deze radicaal de strijd aangaat met alle nep in de literaire wereld. Die van de mediagenieke schrijver bijvoorbeeld: ‘Jij, de tv-persoonlijkheid, de presentator, de journalist, de acteur, de artiest, en nu ook de schrijver, die meedoet voor zijn boek, tenminste, dat denkt hij. De schrijver die ineens niet meer schrijft maar praat, die steeds minder praat en meer blaat, die steeds minder verbeeldt en zich steeds minder realiseert.’

Daartegenover plaatst hij de schrijver die – en het geeft te denken dat dat inmiddels voer voor pamflettisten is – schrijft. ‘De toetsen moeten geramd. Gerámd, omdat een pauze niet kan worden ingelast. Stilstand is twijfelen. Wachten is stoppen. Een pauze is alleen toegestaan als hiaat, noodzakelijk voor het ritme, de cadans, het geluid van de zinnen die elkaar moeten opvolgen en die niet anders kunnen dan zich aan elkaar vastgrijpen. Rammen zonder iemand te zien. Rammen zonder te lezen. Rammen zonder te denken. Toestaan en laten gaan.’

Boogers pamflet is een noodzakelijk betoog voor idealisme in de literatuur, op alle fronten. De lezer is niet dood, maar in de steek gelaten. Door de slogan- en cijferdenkers in boekenwereld en in het onderwijs, waar docenten falen. En dan heeft hij het niet over een tekort aan Vondelkennis, maar over de duizenden kinderen bij wie er geen boeken in de woonkamer staan, maar die wel vol verhalen zitten. Een kind zoals Boogers zelf ook was. Om over na te denken: ‘Ik wist niet dat ook ik goed genoeg was voor het boek.’