Parkliefde

Auke Kok is schrijver en journalist.

Na een slechte nacht wandel ik het park in, suf en chagrijnig als het park zelf, maar dat is schijn. Het park is niet zo kort aangebonden als ik, het voelt zich niet beroerd, het is lief. Dat heb je met stadsparken, ze worden goed verzorgd, zeker in de groene stad die Amsterdam heet. In de provincie denken ze bij ‘Amsterdam’ aan een stenen woestijn, ik aan het park waar ik vlakbij woon. Ook in de winter. Alleen al het vale riet in nette hoopjes aan de kant, wachtend op wat komen gaat: ik ben eraan verslaafd.

Na drie stappen knap ik al op. Een man in een okselhoge rubberen broek zwiept met een hark bladeren uit de vijver naar de oever. Daar vormen ze een gebergte van bruine glimmende drab. Het betere handwerk, zeg ik monter. Vóórwerk, verbetert de man. Om daar berustend aan toe te voegen: anders komen er klachies.

Zo noemt hij dat, klachies. Die zouden er komen in april als het drijvend gebladerte gaat stinken en de parkbezoekers het stadsdeelkantoor weten te vinden. Daarom verwijdert hij alle bladeren nu alvast uit deze zij-arm van de vijver, waar geen bootjes kunnen komen. De mannen in hun bootjes op de vijver, baggerend, de oever versterkend, het water reinigend: altijd weer een aandoenlijk gezicht. Mooi toch, al dat gepiel om het park de zorg te geven die het verdient?

Maar ook de man met zijn hark is goed bezig, ik wens hem succes.

Verderop de vertrouwde aanblik van papier prikkende, zwijgzame types in fluorescerende hesjes. Misschien voorheen foute jongens, maar dan nog: zij verbeteren zichzelf door het park te verbeteren — hoe positief is dat? Ik wijs ze op de stadsgroene prullenbakken die open liggen als gevolg van vandalisme op oudejaarsavond. Hoeft niet. Ze hebben het al doorgegeven, zeggen ze met een toewijding die je niet zou verwachten van reclasserende papierprikkers, maar ik ben er al aan gewend.

Een vrouw jogt babbelend met haar personal trainer langs het eikenlaantje. Ik wil de knotwilgen aanraken, zo mooi blinken ze in de ochtendschemering, roerloos en nat. En kijk daar, midden op het grasveld staat een reiger, nog niet goed zichtbaar en dus onheilspellend fraai, een schoonheid van een spook.

Een hondenuitlater bukt zich en raapt wat zijn viervoeter heeft laten vallen op met een plastic zakje. Tegelijk grist hij een leeg blikje van de grond, steekt het bij zich. Zo gaat het gepiel van alle betrokkenen door, 24/7 haast, het park is nooit alleen. Soms bespioneer ik de Vrienden van het Park als zij met blocnotes voor een berk staan waar schijnbaar niets aan mankeert. Eindeloos overleggen inzake een onzichtbaar probleempje, dat is liefde.

Veel meer dan de wilde natuur ontroeren stadsparken mij, juist omdat ze ontworpen zijn, gecreëerd. Ze geven er troost voor terug, gedempte geluiden, de vanzelfsprekendheid van goedemorgen zeggen. Zacht is het park, een eiland van zorg in een stad vol onverschilligen.

Ik wens alle Amsterdammers veel parkliefde toe in 2016.