Iedereen moet kunnen sporten

Te dik en ongezond. Sportwethouder Adriaan Visser wil Rotterdammers in beweging krijgen. Ook gewoon buiten. Maar hoe?

Sportwethouder Adriaan Visser bij honkbalvereniging Neptunus Foto Casper Rila

Rotterdam presenteert zich als sportstad, maar zijn inwoners zijn relatief ongezond. Uit een recente studie bleek dat ze gemiddeld 1,5 jaar korter leven dan de rest van Nederland, en dat veel kinderen te zwaar zijn. Sport moet hulp bieden. Reden om sportwethouder Adriaan Visser te vragen naar zijn beleid.

Hoe krijgt u de Rotterdammers aan het sporten?

„Ik begin met een lichtpuntje. De bijna 100 ‘Lekker fit’ scholen in Rotterdam beginnen hun vruchten af te werpen. Het gewicht van de kinderen op deze basisscholen is de afgelopen jaren minder snel toegenomen, en het afgelopen jaar zelfs gestabiliseerd. Dat is na al die jaren een trendbreuk. Het is heel bescheiden, maar bedenk wel: hiervoor nam het gewicht alleen maar toe. ‘Lekker fit’ betekent op deze scholen bijvoorbeeld: tenminste drie keer per week sporten, vragen wat er op de ontbijttafel stond, af en toe een blik in de lunchtrommeltjes werpen: aandacht voor bewegen én gezonde voeding dus, en de ouders daarbij betrekken.”

Hoe klein is dat lichtpuntje?

„Ik wil er niet omheen draaien: er is wel wat aan de hand in de stad. Te veel Rotterdammers zijn, kort gezegd, ongezond en te dik. Dat heeft onder meer te maken met de opbouw van de bevolking, het inkomen, de afstand tot groen. Ik beweer niet dat ik de oplossing heb, maar het uitgangspunt is: alle Rotterdammers moeten kunnen sporten.”

Is het probleem het grootst bij de jeugd?

„Daar is nog veel te winnen. Kinderen zouden niet alleen op school moeten bewegen, maar ook daarbuiten. Om dat te stimuleren zijn we al een aantal jaar bezig met het opzetten van schoolsportverenigingen: kinderen krijgen na schooltijd training van vrijwilligers van lokale sportclubs. Dat is laagdrempelig, en geeft de kinderen de kans verschillende sporten te proberen. Jaarlijks vinden zo 3.000 kinderen hun weg naar een sportclub. Geld hoeft geen bezwaar te zijn. Als er geen geld is voor een sportclub, kunnen kinderen aankloppen bij het jeugdsportfonds. Bij de jeugd ligt de uitdaging. Rotterdam is een jonge stad en je kunt er beter vroeg bij zijn. Vooral bij kinderen die niet automatisch vanuit huis of school sporten, moet je proberen ze toch richting de sport te krijgen.”

Terwijl Rotterdam juist veel geld uitgeeft aan grote sportevenementen en topsport. Dat komt toch niet ten goede aan de jeugd? Kijken naar sport is nog geen sporten.

„Dat is niet helemaal waar. Je ziet dat regionale topsporters rolmodellen zijn voor jongeren. Dat ze bijvoorbeeld hun weg vinden naar boksen door Nouchka Fontijn. De grote evenementen zijn echte publiekstrekkers. En daarmee inspirerend. Het EK volleybal in Ahoy vorig jaar zat elke wedstrijd stampvol. De marathon groeit nog steeds, vooral de 10 kilometer – bij uitstek een amateurafstand. En honderden kinderen lopen mee met de Kids Runs, voorafgaand aan het grote evenement. We gaan ook door met de grote evenementen. In 2017 is Rotterdam is een speelstad van het EK Vrouwenvoetbal.

„We gaan niet meer bieden op elk groot evenement, elk EK of WK. Dat kunnen we niet betalen, en dat willen we ook niet. We willen voortborduren op wat de verenigingen doen, dus we kiezen een beperkter aantal focussporten dan voorheen. We hebben topsport gevraagd keuzes te maken. Zowel voor evenementen, als in de ondersteuning van topsportverenigingen. Boksen, volleybal en voetbal bijvoorbeeld. Dat zijn populaire sporten in Rotterdam.”

Dat klinkt als een bezuiniging?

„Op de begroting voor sport wordt niet bezuinigd. We zijn een van de eerste gemeenten die clubs compenseren voor de kostendekkende huur van sportfaciliteiten. Het afgelopen jaar hebben we de huren van de gemeentelijke sportvoorzieningen en voorwaarden geüniformeerd. Voor sommige clubs betekende uniformering een flinke stijging van de kosten, daar compenseren we ze voor. En als uitputting van het bijvoorbeeld het jeugdsportfonds aan de orde zou zijn, doen we daar wat aan. Maar we kunnen nog wel veel meer samenwerken met het bedrijfsleven, bijvoorbeeld bij het EK dressuur en het EK-springen en het EK-para-dressuur. De CHIO-organisatie wil dat heel graag naar Rotterdam halen. Dan zouden stad en bedrijfsleven samen het prijzengeld kunnen sponsoren.”

Het college komt dit voorjaar met een nieuwe sportnota. Wat verandert er?

„Er zijn een aantal centrale punten. Hoe houden we verenigingen, die bijvoorbeeld worstelen met het vinden van vrijwilligers, vitaal. We gaan ook onderzoek doen naar de balans tussen kwaliteit en kwantiteit: zouden er niet in totaal minder velden moeten komen, maar meer kunstgrasvelden: die kan je veel intensiever gebruiken, ook met verschillende verenigingen. Liever intensief gebruikte dure velden, dan op allerlei plekken 6 grasvelden. En we willen ook meer buitensport faciliteren, sport waarbij de stad wordt gebruikt voor bijvoorbeeld hardlopen, bootcamps, skaten, of voetballen. Door te zorgen voor een aantrekkelijke buitenruimte, voldoende Cruyffcourts en Kraijeck Playgrounds, het nieuwe skatepark op de Westblaak, toestellen in de openbare ruimte.

„Juist die buitensporten groeien erg, mensen die in de stad sporten, buiten de clubs om. Vooral rennen, een individuele sport die mensen toch samen beoefenen. Ze vinden elkaar steeds vaker via social media, zoals de bekende Rotterdam Running Crew. En er zijn ook veel bootcamps, zoals in het Museumpark en het Kralingse Bos. Het is echt heel leuk als je daar zondag naartoe gaat, allerlei groepen renners. Sporters in de stad, dat is mooi om te zien.”