Column

Het begint in Brussel op regeren te lijken

Aan voorzitters ontbreekt het de EU niet. De Commissie heeft er een (Juncker), het Parlement (Schulz) en de Europese Raad (Tusk). Ook de 28 buitenlandministers (Mogherini) en de 19 financiënministers van eurolanden (Dijsselbloem) hebben hun eigen voorzitter. Nederland wordt er nu aan herinnerd dat ook de gewone Raad van ministers een voorzitter heeft, per zes maanden. Er past niet één naam of één persoon op deze rol. Ons voorzitterschap is een pet die ministers en diplomaten opzetten in honderden EU-vergaderingen tussen lidstaten en namens lidstaten met Commissie en Parlement. De Raad van ministers valt namelijk in tal van geledingen uiteen: Schultz de transportministers, Van der Steur de justitieministers, Koenders de ministers van Europese Zaken, enz. En Dijsselbloem krijgt er zes maanden een clubje bij, dat van alle financiënministers. Hét verschil met vroeger is dat onze premier geen boegbeeld meer is. Anders dan Lubbers of Balkenende zal Rutte geen top voorzitten of ‘uit naam van Europa’ wereldleiders ontvangen. Dat doet sinds 2009 de vaste Europese Raadsvoorzitter, nu Tusk. Wellicht kan het de pragmatische Rutte weinig schelen. Maar Tusks voorganger vertelde mij ooit hoe meer dan één regeringsleider van het roterende voorzitterschap-nieuwe-stijl zich bij hem had beklaagd dat het hem of haar geen ‘zichtbaarheid’ opleverde. Veel coördinatiewerk, no visibility.

Wie wat langer naar dit Europese landschap tuurt ontwaart een patroon. Drie gremia gaven zichzelf een vaste voorzitter: de regeringsleiders (2009), de buitenlandministers (2009) en de euroministers (2005). Waarom net deze drie clubjes? Vanwege het type uitdagingen waarmee de Europese regeringen worden geconfronteerd. Sleutelwoord is ‘crisis’. Van bankencrisis naar eurocrisis en weer Griekse crisis. Van Arabische opstanden, grensschermutselingen met Rusland tot de vluchtelingencrisis. Zulke noodsituaties vereisen besluiten: snelle, gezaghebbende boodschappen aan wetgevers, markten, buitenlandse machten of het publiek. Maar daar is de Unie niet op ingericht. De Brusselse machinerie is gemaakt voor regelgeving: een andere praktijk. Om veiligheidsnormen voor kinderspeelgoed af te spreken kun je eindeloos consulteren, aftasten, evenwichten zoeken; van eerste proefballon tot inwerkingtreding van een regel ligt vaak vier, vijf jaar. Daarentegen moesten tijdens de eurocrisis beslissingen waarin het om honderden miljarden euro’s ging soms binnen 48 uur rond zijn ‘om de markten te kalmeren’. Besluiten nemen is de specialiteit van regeringsleiders, euroministers en buitenlandministers. Zij staan in de frontlinie. Dan bieden vaste voorzitters continuïteit en een aanspreekpunt. Als de wereld doldraait, kun je beter niet ook nog zelf roteren. Hun drie vaste voorzitterschappen duiden op een emancipatie van de uitvoerende macht in de EU. Het begint op regeren te lijken.

Bijgevolg is ‘onze’ roterende Raad nu vooral een wetgevend lichaam. Niet langer planningscentrum voor politieke activiteiten, maar manager van de wetgevende pijplijn. Toch komt één crisis wel op het bord van Nederland: de vluchtelingen. Waarom? Asiel, migratie en Schengen vallen onder ministers van justitie en binnenlandse zaken, een clubje zonder vaste voorzitter. Dus komt Van der Steur in de frontlinie. Vorige maand stelden de regeringsleiders een harde deadline: uiterlijk 30 juni een akkoord over een Europese grens- en kustwacht. De taak voor Rutte: verbindingsman tussen leiders en ministers, tussen Tusk en Van der Steur. Naar dit akkoord zullen Europa en de wereld kijken. Dus stoppen met navelstaren op ‘mini-Schengen’, en werken voor Schengen.