Een groentje gevangen tussen twee vrouwen

Merijn de Boer verraste met zijn grillige romandebuut. Ook in zijn tweede boek morrelt hij aan de verwachtingen van zijn lezers.

Illustratie Paul van der Steen

Het hier en daar flink bejubelde en inderdaad opmerkelijke De nacht, Merijn de Boers romandebuut van twee jaar terug, was een boek waarin van allerlei interessants te vinden was. Zo was zijn Marcel een geslaagde versie van de onbetrouwbare verteller. Eerst had je met hem te doen omdat men hem doorlopend vernederde, maar langzamerhand werd duidelijk dat Marcel zelf niet helemaal zuiver op de graat was. Daarnaast drukte De Boer (33) alles wat ook maar een beetje in de buurt kwam van een ontknoping of een eruptiepunt voortijdig de kop in. Hierdoor leek het alsof het basisgegeven van de dramatische gebeurtenis in een roman de jonge schrijver domweg niet aanstond.

Kijk, dat soort lieden moeten we hebben in schrijversland. Effectief schrijven, het begeleiden van de lezer langs emotionele doch soms voorspelbare paden, is een hele kunst, maar de lezer er keer op keer van doordringen dat die paden mettertijd veranderen en dus geen wet zijn, dat is de echte kunst.

Wie die opvatting deelt heeft ook met ’t Jagthuys een nieuwe, fijne roman in handen. De Boer heeft zijn programma, dat samen te vatten valt als morrelen aan de verwachtingen van de lezer en dus tornen aan de clichés van de geest, in zoverre ontwikkeld dat je geregeld paf staat. Dit wordt veroorzaakt door zijn lef om de kansen om effect te genereren via een anti-climax in de soep te laten lopen. Het is soms alsof je naar een begaafde voetballer zit te kijken die eerst een paar spelers van de tegenpartij passeert maar het vervolgens veel aangenamer vindt om de bal de derde ring in te jagen dan in het vijandige doel.

We hebben hier dus met een heel eigenwijze schrijver te maken, die zijn boek weliswaar aan de lezer aanbiedt, maar het desondanks nooit helemaal los lijkt te willen laten.

Dit alles, wat volgens mij de spannende kern is van zijn schrijven, is ingebed in een vertelling die wel wat wegheeft van een film van Alex van Warmerdam: het tragikomische, de lulligheid van het ene personage en de autistische wereldvreemdheid van weer anderen zijn er allemaal in te vinden.

Binnert: een indoormens

Het decor is een beetje muffige villa aan de Vecht in de buurt van Breukelen. Het huis is wat ouderwets ingericht, de stofzuiger is er al te lang niet doorheen geweest, en de twee personages met wie we daar op de eerste pagina’s kennismaken zijn een moeder en haar zoon, luisterend naar de onwaarschijnlijke Bordewijk 2.0-namen Neeltje en Binnert Bruinworst. Althans, met Neeltje maken we kennis, want Binnert verstopt zich schoorvoetend achter een gordijn. We zien zijn voeten door de ogen van Vera, een sekswerker die door moeder Bruinworst is ingeschakeld om haar reeds 35-jarige zoon een eerste seksuele ervaring te bezorgen.

Binnert is het schoolvoorbeeld van hoe Peter Buwalda zichzelf een paar maanden terug in het tv-programma Zomergasten typeerde: een indoormens. Hij heeft zich al die jaren amper buiten de villa begeven; genoot onderwijs aan huis en hield zich onledig met lezen, kijken (een belangrijk thema in de roman) en genoeglijke avondjes met moeder voor het tv-toestel. Die moeder heeft Binnerts thuiszitterij veroorzaakt: hij was gehandicapt en moest zich maar niet onder de mensen mengen. De aard van die handicap wordt steeds onbestemder: dan is het weer een heupprobleem, dan is het plots ‘neurologisch’ van aard.

Binnert en sekswerker Vera, die haar werk motiveert door te stellen dat ‘idealisme en cynisme een verbond met elkaar zijn aangegaan’, vallen als een blok voor elkaar. Maar wel elk vanuit een andere motivatie. Binnert staat voor de sensitieve en ironisch genoeg ontwikkelde kant van de mens, waardoor hij Vera zachtmoedig verafgood, terwijl Vera in Binnert nogal doelmatig heeft gevonden wat ze altijd in een man heeft gezocht: eentje met ‘het verstand van een professor en het lichaam van een bouwvakker’.

Tussen zijn moeder en geliefde

Het groentje Binnert wordt, om het op z’n Vestdijks te zeggen, een ‘kind tussen twee vrouwen’: links dingt ma om zijn aanwezigheid, rechts doet Vera haar best om hem aan zijn jasje mee de wereld in te trekken, wat in haar geval op Amsterdam neerkomt. ‘Als ik ’s nachts in mijn bed lag, dacht ik aan wat we allemaal zouden kunnen doen als ik erin slaagde om Binnert mee naar Amsterdam te nemen. Ik zou hem op mijn fiets de stad laten zien; ik had een bagagedrager boven mijn voorwiel en daar zou hij dan op kunnen zitten, terwijl ik hem als een trofee door de straten reed.’

Het is fascinerend om te zien wat De Boer met de complexe verhoudingen van Binnert heeft gedaan. De man die hij met Binnert neerzet vertoont, in weerwil van die vermeende ‘handicap’, de trekken van een god: naast dat gestaalde lichaam en dat academische verstand is hij ook nog eens ontzettend belezen en muzikaal getalenteerd. Een in een opwelling aangeschafte harp – een uitgesproken lastig onder de knie te krijgen instrument – beheerst hij in een vloek en een zucht. Hij bezorgt de dames bijkans een appelflauwte met zijn snarenspel (wat een prachtige scène oplevert die zowel erotisch als sensitief is). Maar De Boer zou De Boer niet zijn als hij ook niet dit, het musiceren als een potentiële sleutel voor Binnert tot de wereld, teniet zou doen. ‘Zal ik die bagger van Händel nog een keer spelen?’, wil hij op zeker moment van zijn muzieklerares weten.

’t Jagthuys is een heerlijke, grillige roman, geschreven door een jonge schrijver met een afwijkende stem van wie we nog veel gaan horen.