Deze troosteloze gedichten verdienen het om gelezen te worden

Een goede metafoor is een geslaagde illusie. Maar hoe werkt dat als je metaforen zoekt voor het illusieloze? In zijn zevende dichtbundel, Seizoensroddel, geeft Jan Baeke (1956) een pijnlijk verrassend antwoord op die vraag. Ruim tachtig pagina’s lang becommentarieert hij het menselijk bestaan anno nu. Illusies hebben daarbij geen speelruimte. En als er al sprake is van welbevinden, dan krijgt dat formuleringen als ‘We stinken de kamer uit van gapend geluk’.

Er is ook geen echte communicatie. Er wordt wel gepraat, maar: ‘Er zijn mensen wier woorden klinken / als de natuurlijke geluiden van hun woonplaats / zoals het gekakel van kippen / de plaats van kippen inneemt.’ In dit soort passages blijkt Baeke een meester van troosteloosheid. Dat klinkt niet uitnodigend, maar Seizoensroddel verdient absoluut lezers. Van bundel naar bundel toont Baeke zich een steeds eigenzinniger dichter, met een idioom dat even alledaags als vervreemdend is. Seizoensroddel is een nieuwe stap op die overtreffende trap.

De bundel begint met een zeventien verzen tellende afdeling. ‘Dit zijn, zei Jack, slechts voorbeelden,’ is de titel daarvan, en zo luidt ook de slotzin van het laatste gedicht. Het decor is Amerika, na de oorlog in Irak. ‘Veteranenverzet’ heet de eerste cyclus, en Jack en Charlie zijn daarin bovenal ontheemden. Wie en wat ze verder zijn is zo onduidelijk als het decor waarin ze functioneren. Dat decor laat zich wel benoemen, maar is onbestemd. ‘Het was ergens in een oorlog die we nog niet zo / hadden benoemd,’ stelt Baeke op zeker moment. ‘De lucht was onbewolkt, het was / een Amerikaanse ochtend en iedereen heette John.’ Dat is dreigend onpersoonlijk, zeker voor een lezer die weet dat gesprekken met John hier het onderwerp zijn.

Niets is wat het is

De kracht van Baekes poëzie is dat hij in vertrouwde taal steeds het tuftonkleedje onder de lezer wegtrekt. De taal is herkenbaar, maar tot heuse herkenning komt het zelden. En als die er eventjes lijkt te zijn, rest ten slotte toch verwarrende onzekerheid. Dit geldt bijvoorbeeld voor het gedicht ‘Onverwacht’.

‘Verstandig’ en ‘feest’ zijn woorden die je niet verwacht in de beschrijving van een sterfscène. Maar zelfs wanneer ze betekenis krijgen, is close reading van dit vers nog een hele klus. Lees maar: niets is wat het is, lijkt Baeke ons voor te houden. Of: Niets is meer wat het was. Dat geldt voor de voorwerpen in ‘Staande asbak met bijbehorende familie’. ‘Al die kleine vreemde voorwerpen,’ stelt het eerste couplet. ‘De vertrouwde en grote trouwens ook / die ons nu en dan vergezellen / en dan vergeten raken / tot we ons herinneren / dat we uit een tijd gevallen zijn / waarin die voorwerpen vanzelfsprekend waren.’

Vluchtigheid en ontheemding zijn de kernthema’s in Seizoensroddel. In de slotcyclus van de bundel is het heersende personage uiteindelijk dan ook wind. In dertien prozagedichten verkent Baeke Belgische ‘herinneringen’, van Brussel tot Ukkel, als we op de titels van de gedichten af mogen gaan. In de twee slotverzen, ‘Wagon’ en ’Stalle’, zit een man op het trapje voor zijn huis. ‘Het kan de wind niets schelen. Het zijn / langzame seconden waar de wind / doorheen waait / en waar de man met de wind praat / praten de bussen met de rest van de straat.’ Zo onbestemd en nietig dus.

In het afzonderlijke slotgedicht bevestigt Baeke die visie. ‘Om te weten hoeveel ruimte onze gedachten innemen / is het goed ons een kleine doos voor ogen te houden,’ schrijft hij. Dat lijkt paradoxaal na ruim tachtig pagina’s bomvol ideeën – hoe troosteloos die ook zijn. In de aantekeningen achterin meldt Baeke dat de cyclus ‘Waar de wind doorheen waait’ oorspronkelijk werd geschreven als vierde deel van een serie data poems. ‘De anderen hebben het gedaan’ is de titel van die serie. De eerste drie delen zijn te vinden op www.publicthought.net. Wie de moeite neemt die site van Jan Baeke en Alfred Marseille te bezoeken, ontdekt dat het ook daar, het medium eigen, een en al vluchtigheid is. In druk en op het scherm observeert Baeke de actualiteit, en die is per definitie vluchtig, en thuisloos.