Column

De geboorte van de aanzuigende werking

Hedy d’Ancona zit voor het raam van haar huis aan de Amstel en slaat Die Arbeitslosen von Marienthal op. In 1930 sloot in het Oostenrijkse stadje de textielfabriek. Zowat iedereen die kon werken, raakte werkloos. Aanvankelijk waren de arbeiders weerbaar en actief, maar gaandeweg stopten ze met plannen maken en werden lusteloos, en raakten ten slotte verteerd door haat en gedachten aan zelfmoord.

„Een prachtig document”, zegt d’Ancona. „De sociologen noteerden de tijd dat werklozen onderweg waren van huis naar het stadscentrum. Die werd elke dag langer. Ze hadden geen doel meer. Ik heb dat altijd onthouden.”

Hedy d’Ancona was als minister van Welzijn begin jaren negentig verantwoordelijk voor de opvang van vluchtelingen uit Irak na het uitbreken van de Golfoorlog. Woensdag citeerde ik uit de openbaar gemaakte notulen van de ministerraad over haar wanhoopskreet om de „onbeheersbare situatie” op te lossen. En over de harde opstelling van haar collega-ministers die geen trek hadden in vluchtelingen. In de ministerraad werd het begrip ‘aanzuigende werking’ bedacht.

Hoe liep het eigenlijk af, vroeg ik haar gisteren. „Ik zei tegen mijn collega’s: laat ze werken”, zegt ze. „Als je asielzoekers niets laat doen, kunnen ze na een tijdje niets meer.”

Geef ze verantwoordelijkheid, zei ze in de Trêveszaal, Nederland vergrijst, we hebben ze nodig.

Minister-president Ruud Lubbers en minister van Financiën Wim Kok zagen niets in het plan.

„Mijn houding was misschien ook naïef: laat de kinderkens tot mij komen”, zegt d’Ancona.

Bij de middagboterham waarschuwde staatssecretaris van Justitie Aad Kosto haar: „Je bent te emotioneel. Je moet je verantwoordelijk opstellen.”

Op bezoek in de noodopvang deelde ze, zelf een roker, sigaretten uit. „Zat ik die armoedzaaiers te vergiftigen”, zegt ze.

Met de komst van de eerste vluchtelingen uit Joegoslavië in 1991 sloeg de sfeer in het kabinet om. „Ineens mocht ik van Wim Kok geen maximumaantal meer noemen. Uit Joegoslavië was iedereen welkom en ze mochten meteen aan het werk.”

De Joegoslaven kwamen natuurlijk uit Europa, zeg ik, ze hoorden bij ons. Hedy d’Ancona tikt met haar vinger op tafel: „En ze waren hoog opgeleid.”

De ruzies over vluchtelingen speelden zich vooral in het kabinet af. „Daarbuiten heerste de politieke correctheid”, herinnert ze zich. „En ik deed daaraan mee.”

Een tijdje geleden kocht d’Ancona aan het loket op het Centraal Station een kaartje voor de Fyra naar Breda. Ze werd geholpen door een Irakees. „Hij liep even weg. Ik keek op mijn horloge, achter mij ontstond een rij. Toen legde hij bovenop mijn kaartje twee koffiebonnen. ‘Dankzij u zit ik hier nu’, zei hij.”