Column

Boerenkool

Bij de kassa van Albert Heijn moest ik wachten tot een bejaarde vrouw vóór mij haar luttele boodschappen had afgerekend. Het was halverwege de ochtend en daarom nog betrekkelijk rustig in de zaak. Ergens tussen de schappen hoorde ik alleen een groepje vluchtelingen uit de noodopvang in de buurt moeizaam met een jonge vakkenvuller communiceren over artikelen en prijzen. „Lastig hoor”, zuchtte de jongen even later tegen een collega.

De bejaarde vrouw had geen haast. Terwijl ze haar boodschappen op de band legde, zei ze tegen de caissière: „Ik dacht laat ik maar vroeg gaan, want ik ben de hele dag op pad en vanavond is de aanbieding misschien weg.” Ze wees op twee kant-en-klaarmaaltijden. „Boerenkool en viergroentenstamppot, de tweede maaltijd gratis. En de boerenkool is mét worst.” Het leek ook mij een onschatbaar voordeeltje.

De caissière knikte vriendelijk. Ze was een jaar of twintig, droeg een hoofddoekje en was vermoedelijk van Marokkaanse afkomst. Ze scande de boerenkool, bekeek de in cellofaan verpakte maaltijd wat nauwkeuriger en vroeg in uitstekend Nederlands: „Wat is dit nou eigenlijk?” Het klonk niet kritisch, wel verbaasd.

„Boerenkool”, zei de vrouw. „Weet je wat dat is?”

De caissière twijfelde, enigszins verlegen.

De vrouw boog zich naar haar. „Boerenkool bestaat uit twee dingen”, doceerde ze, „een donkergroene koolstronk met krullende blaadjes die eraf worden gehaald.”

„En komt daar dan nog wat bij?”, vroeg de caissière.

„Aardappels! Die kook je met de kool. Er hoort ook melk bij, die kook je apart in de magnetron. Je doet het bij elkaar en dan stamp je het. Hoe lang, dat moet je zelf weten, de een stampt wat meer dan de ander.”

De caissière leek de smaak te pakken te krijgen. „Moet er zout bij?”

„Je moet het een beetje kruidig maken”, zei de vrouw, „met zout en peper en je kunt er ook nog wat gebakken spekjes bij doen.”

„Vindt u het lekker?”

De vrouw schudde het hoofd. „Mijn man vindt het erg lekker, ik neem liever de viergroentenstamppot.” Ze draaide zich half naar mij om en vroeg: „Wat heeft u het liefst?”

Ik was er niet op bedacht dat ik in dit bloeiende gesprek betrokken zou worden, maar ik had gelukkig genoeg tegenwoordigheid van geest om zonder aarzeling te kunnen antwoorden: „De boerenkool. Mét worst.” Ik meende het nog ook.

De vrouw knikte tevreden en draaide zich weer naar de caissière terwijl ze zei: „Mijn man wist dat ik een drukke dag had en vond dat ik maar niet moest koken. Als ik maar iets lekkers haalde.”

„Hij z’n zin, u uw zin”, riep de caissière monter. Het kwam eruit met een rapheid die haar ouders haar waarschijnlijk niet zouden nadoen.

„Zo is het”, zei de bejaarde vrouw.

Bij het verlaten van de winkel kwam ik haar achterop. „Ik vind het altijd leuk om even met ze te praten”, zei ze. „Die meisjes zitten ook maar in hun eentje de godganse dag achter zo’n kassa. Boerenkool! Is het gek dat zo’n meisje daar niks van afweet? Voor ons is het gesneden koek.”

Bij de uitgang stonden enkele vluchtelingen de edammertjes te bekijken die ze net hadden gekocht. „Dutch cheese”, lachte de vrouw tegen ze, „very lekker!”