Als China niest, heeft de wereld griep

De dalende beurskoersen in China maken duidelijk dat er nog iets anders aan de hand is: de wereldeconomie hapert.

Achter de hectiek op de Chinese aandelenbeurzen deze week gaat een diepere ontwikkeling schuil: de wereldeconomie hapert. De groeivertraging in China – na de VS de grootste economie ter wereld – zorgt niet alleen voor rode schermen op de beursvloeren, maar raakt ook andere opkomende landen in Azië en elders. En het Westen is evenmin immuun voor de Chinese sores.

De schokken op de Chinese beurzen – eerst die van afgelopen zomer, daarna die van deze week – zijn een correctie van aandelenkoersen die in geen verhouding meer staan met de toestand van de Chinese economie. De waarde van de beursindex van Shanghai was in de driekwart jaar voor de crash van afgelopen zomer meer dan verdubbeld, van 2.000 naar 5.000 punten. Nu staat de index nog iets boven de 3.000 punten en de druk blijft neerwaarts.

De ‘echte’ economie is juist slechter gaan presteren. Hoe hard de Chinese economie nog groeit, weten we niet. De groeicijfers uit Beijing gelden onder de meeste analisten als onbetrouwbaar. Officieel groeide de economie in 2015 met 6,9 procent. Maar wie naar andere indicatoren kijkt, ziet dat het niet goed gaat. Handelscijfers zijn een aardige indicator van de industriële activiteit in het land.

Maakindustrie

In de eerste helft van 2015, toen de beurs omhoog schoot, stortten de Chinese import en export juist in. Het volume van de Chinese invoer uit Europa daalde met 10 procent. In de tweede helft van het jaar ging het weer beter met de Chinese handel, maar de OESO, de club van rijke landen, gaat ervan uit dat China in heel 2015 0,2 procent minder goederen verhandelde dan in 2014.

Een ander veeg teken is de inkoopmanagersindex (PMI). Die indicator, waarvoor grote bedrijven worden gepolst over onder meer orders, staat al maanden onder de 50, wat duidt op afnemende activiteit in de Chinese maakindustrie.

En dat laat zijn sporen na in cijfers over de wereldhandel en over de wereldwijde economische groei. In oktober is het volume van de wereldhandel gedaald, zo bleek onlangs uit de maandelijkse Wereldhandelsmonitor van het CPB. In de eerste twee kwartalen van 2015 daalde de wereldhandel ook al. De OESO, het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank hebben recentelijk hun ramingen voor de groei van de wereldeconomie in 2016 naar beneden bijgesteld. Die zal naar verwachting 3 procent of lager zijn. Voor de crisis was 4 à 5 procent gewoon.

Hoofdoorzaak: teleurstellende prestaties van China, maar ook van andere opkomende landen. De „gelijktijdige vertraging” in Brazilië, Rusland, China en Zuid-Afrika is nu een „risico”, zo klinkt het in een somber rapport van de Wereldbank dat deze week verscheen. De Chinese economie blijft wel groeien, anders dan bijvoorbeeld die van Rusland en Brazilië, die in recessie verkeren. Maar door China’s omvang is het effect van de groeivertraging daar groter.

Nog maar een paar jaar geleden keken economen, politici en analisten met afgunst naar de groeicijfers van de zogeheten BRICS-landen (Brazilië, Rusland, India, China en Zuid-Afrika). Nu zorgt alleen India (groei in 2015: 7,3 procent) nog voor enthousiasme. De gemiddelde groei in alle BRICS samen is teruggevallen van 9 procent in 2010 naar 4 procent in 2015.

Voor een deel zijn de problemen in de BRICS terug te voeren op de ‘C’ in de afkorting: afvlakkende Chinese vraag. In de periode 2000-2014 was bijvoorbeeld de groei in wereldwijde vraag naar metalen bijna volledig voor rekening van China. China was ook goed voor meer dan de helft van de extra vraag naar energie. Nu de Chinese veelvraat minder honger heeft, voelen grondstoffenexporteurs als Brazilië, Rusland en Zuid-Afrika de gevolgen. Mede door de lagere Chinese vraag zijn de grondstoffenprijzen gedaald naar historische niveaus. Niet alleen olie en gas, maar ook bijvoorbeeld sojabonen, zink en koper zijn in prijs gekelderd. Niet-BRICS-landen merken dit ook, bijvoorbeeld Indonesië en Maleisië, die veel palmolie leveren aan China.

Voor grondstoffenexporteurs compenseert het Indiase succesverhaal de Chinese vertraging maar matig. In India stijgt weliswaar de vraag naar grondstoffen, maar minder dan tot voor kort in China. De Indiase economie draait meer op de dienstensector, merkt de Wereldbank op.

Olieprijs en corruptieschandalen

De problemen van opkomende landen hebben niet allemaal hun oorsprong in China. Elk land kent specifieke moeilijkheden. Rusland lijdt zwaar onder de historisch lage olieprijs, die vooral komt door de overproductie van olie in het Midden-Oosten en het aanbod van Amerikaanse schalieolie. Brazilië kampt met corruptieschandalen.

De wereldeconomie leunt zo weer meer op de VS en Europa, die aardig groeien. Voor het eerst sinds de jaren negentig stijgt het aandeel van de rijke landen in de wereldwijde economische groei weer, zo blijkt uit het rapport van de Wereldbank. Sinds de eeuwwisseling was de wereldeconomie juist steeds meer op de opkomende landen gaan leunen. „De tijden zijn aan het veranderen”, stelt Wereldbank-hoofdeconoom Kaushik Basu.

Is het goed nieuws dat het Westen economisch weer wat terrein ‘terugwint’? Eigenlijk niet. Want de problemen elders op de wereld raken óók de Amerikaanse en de Europese economieën. Europa mag het dan relatief weer wat beter doen, de ECB verlaagde onlangs haar groeiprognoses voor de eurozone, juist vanwege de problemen in de opkomende landen.

Het wordt duidelijk in cijfers van een Europees handelsland bij uitstek: Nederland. Daar is in de eerste kwartalen van 2015 de export van goederen van eigen (Nederlandse) makelij niet meer gegroeid, en in het derde kwartaal zelfs gedaald. Alleen de uitvoer van diensten en de wederuitvoer van geïmporteerde producten namen toe. De oorzaak, volgens ING: „Uitvoer van eigen makelij heeft vaker opkomende markten als bestemming.”