Uit het depot opgediept

Haar werk bouwt Van Imhoff op met spullen uit het museumdepot. Wat gebeurt er als objecten in persoonlijke combinaties worden gebruikt?

Saskia Noor van Imhoff: '# + 14.11, 2013. A2 c-print humidifier.

Kijk, dat vinden musea fijn: dat Saskia Noor van Imhoff hun werk serieus neemt. Voor Van Imhoff (1982) is een museum niet alleen een grote etalage die kunstenaars aandacht geeft en hun carrière opstuwt, maar een wereld met een eigen dynamiek, complexiteit en geschiedenis. Van Imhoff is gefascineerd door museale mechanismen die normaal onzichtbaar blijven, juist in instituten die het van zichtbaarheid moeten hebben. Hoe worden kunstwerken in musea opgeslagen? Hoe gaan ze om met ‘ondersteunende betekenisgevers’ als sokkels, vitrines, vochtmeters en brandblussers? En in hoeverre bepaalt de geschiedenis van een instituut de manier waarop werken worden getoond?

Inderdaad, dat klinkt behoorlijk hermetisch, maar dat wordt al een stuk minder als je haar installaties bekijkt, bijvoorbeeld in de Appel, waar ze een solo krijgt, of in het Stedelijk Museum Amsterdam, waar ze twee zalen naar haar hand gaat zetten. Daar zal allereerst duidelijk worden dat Van Imhoff een mooie beeldhouwersgevoeligheid heeft voor materiaal en compositie: haar werk prikkelt en lokt en lonkt allereerst door subtiele kleurcontrasten en verrassende materiaalcombinaties.

Nog belangrijker is dat Van Imhoffs materiaal niet, zoals bij de meeste beeldenmakers, bestaat uit spullen die ze vindt bij winkels van allerlei pluimage: ze haalt het, vrijwel zonder uitzondering, uit het depot van het museum of de instelling waar ze exposeert. Van Imhoff is diep doordrongen van de curieuze status van zulke museale depots: objecten die er zijn opgeslagen spelen geen rol meer in de ‘echte wereld’, ze worden zelden meer vastgehouden of gebruikt, ze staan als het ware in de ijskast van het universum. Tegelijk lopen ze vol functie en betekenis op het moment dat ze daaruit worden gehaald en ‘op zaal’ worden gezet.

Precies dat vreemde betekenisvacuüm interesseert Van Imhoff en ze gebruikt het om die betekenis naar haar hand te zetten. Daarbij heeft ze een speciale belangstelling voor objecten uit de marge van het kunstbedrijf. Dat kan een oude sokkel zijn, een kunsttijdschrift of een catalogus, maar evengoed een schilderij van een beroemde kunstenaar. Die afzonderlijke objecten benoemt ze nooit. Het gaat Van Imhoff juist om de betekenis die een object krijgt als het uit zijn oorspronkelijke context is gehaald en functioneert in het nieuwe Van Imhoff-verband.

In haar eindpresentatie bij De Ateliers in 2012 had Van Imhoff een origineel schilderij van Marlene Dumas in haar installatie verwerkt, maar dat wel op zo’n manier dat het doek door veel mensen niet eens werd herkend. Wat is dan nog de betekenis van zo’n schilderij en in hoeverre beïnvloedt het de betekenis van alle objecten eromheen? En hoe verhouden ze zich in deze nieuwe samenstelling tot de wereld buiten het museum?

Van Imhoff ziet zichzelf graag als een archeoloog die onzichtbare lagen uit de geschiedenis omhoog haalt en op onorthodoxe wijze naar haar hand zet. In haar Stedelijk-installatie (door het museum gekocht) zal een belangrijke rol zijn weggelegd voor een zogenaamde humidifier: een bevochtigingsapparaat dat dikke wolken stoom uitblaast – wat in een museum, waar het klimaat nauwkeurig wordt beheerst, gelijk staat aan vloeken in de kerk. Maar daarmee zet ze de rest van de expositie op scherp: in hoeverre worden de overige objecten in de ruimte door de bevochtiger aangetast? En maakt het uit als ‘museale’ objecten in persoonlijke, onverwachte combinaties worden gebruikt?

Zulke vragen tonen Van Imhoffs dubbelzinnige houding ten opzichte van het museum. Haar werk mag dan afhankelijk lijken van het museum en zijn depots, het is de kunstenaar die de onzichtbare wereld bovengronds haalt, de objecten ordent en hun betekenis naar haar hand zet.