Online doen ze beter hun best

Docent Nederlands Henk ter Haar gebruikt digibord, Excel, laptops en telefoons in zijn lessen. Het is leuk, vindt hij. En nuttig.

„Kunnen we dát winnen?” Een leerling wijst naar een mok met M&M’s op tafel. „Ja, dat kunnen jullie vandaag winnen”, zegt docent Nederlands Henk ter Haar. „Joehoe!”, juicht de jongen. Hij gooit zijn armen in de lucht. „Dan ga ik écht even mijn best doen.”

Leerlingen uit de havo-4-klas van Guido de Brès, een middelbare school in Arnhem, stromen het lokaal binnen. Iedereen werpt een blik op de mok met chocolade. „Is dat dé prijs?” „Ja, dat is dé prijs.” De scholieren gaan zitten. Sommige klappen hun laptops open, anderen pakken hun telefoon. En iedereen logt in op een site. „Zijn jullie er klaar voor?”, vraagt Ter Haar. „Dan kan de quiz beginnen.”

Op het digibord in het lokaal verschijnen de namen van de deelnemers – de leerlingen. En dan staat daar de eerste zin: „Hij heeft zich verklee... als piraat.” De leerlingen moeten via laptop of telefoon binnen een minuut de ontbrekende letter invullen. Vervolgens verschijnen de resultaten op het bord.

Van de vierentwintig leerlingen hebben tien het woord ‘verkleed’ met DT geschreven. Waarom, wil Ter Haar weten. „Ik vond het gewoon mooi staan”, grapt een leerling. Een enkeling vulde een T in. De rest een D.

Rachel en Noortje waren het snelst met het goede antwoord en staan bovenaan. De topvijf is te zien op zowel digibord als laptops en telefoons.

De quiz die Ter Haar gebruikt, heet Kahoot. Er zijn nog veel meer van dit soort tools; Socrative, Interact of Questbase. Leerkrachten kunnen de quiz gebruiken als toets. Of ze zetten de tool in om te zien of de scholieren de stof beheersen. Zoals vandaag.

De volgende zin: „Ik word boos als ik zie hoe hij zijn tijd verspil... aan Instagram.” De tijd is om. De resultaten zijn zichtbaar. „Hé Bas, ik sta nu achter jou op de vierde plaats”, roept een leerling. „Wacht maar, ik haal je zo in.”

Na vijftien vragen is de quiz afgelopen. Twee schuchtere meisjes achterin de klas staan bovenaan de scorelijst. Er wordt geklapt. Met een rood hoofd neemt een van hen de mok in ontvangst.

Ter Haar vertelt dat de quiz niet alleen „leuk” moet zijn, maar ook „nuttig”. Daarom kopieert hij alle uitkomsten tijdens de les naar een Excelbestand en laat hij op het digibord in de klas zien welke vragen goed zijn gemaakt en welke niet. „De zin over de piraat vonden jullie duidelijk het moeilijkst.”

Ezelsbruggetje.nl

De docent verdeelt de scholieren in groepjes. Elk krijgt een slecht gemaakte vraag toebedeeld. Het is de bedoeling dat de leerlingen samen op zoek gaan naar het goede antwoord. Ze mogen googlen, in boeken kijken of hun aantekeningen erbij pakken. Daarna houdt elk groepje een korte presentatie voor de klas waarin ze het uitleggen hoe het zit: een D of een T?

Twee jongens zijn er na een minuut al uit. Ze hebben het antwoord gevonden op de website ezelsbruggetje.nl. „Werkwoorden die niet eindigen op letters uit ’t kofschip krijgen ‘de’ erbij”, zegt de een. „Leg jij dat even uit dan voor de klas?”, zegt de ander.

De quiz is „superleuk”, zegt leerling Peter Kohlmann (16 jaar) uit Arnhem na de les. „Het is een wedstrijd en iedereen wilt winnen. Dus doe je extra goed je best.”

Romy Kramer (16 jaar) uit Nijmegen was in de les „even niet zo blij” toen ze in de Excel-sheet op het digibord zag dat zij het slechtst had gescoord. „Ik voelde me rot.”

Ter Haar: „Dat was mijn fout. Ik moet er beter op letten dat zulke gegevens niet open en bloot in beeld verschijnen. We doen natuurlijk niet aan naming and shaming.”

Nog een don’t: gebruik de quiz niet te vaak, zegt Ter Haar. „Dan loop je het risico dat de lol er bij de leerlingen snel af gaat.”