Aaibare dans van een conceptueel choreograaf

De 31-jarige Belg Jan Martens wil graag de echte mens in zijn danswerken tonen.

De laatste jaren borrelt het weer aardig in de danswereld. Veel jonge makers, onder wie veel Belgen, presenteren origineel werk. Een van de interessantste is Jan Martens (1984). Pas een jaar of vijf is hij actief, maar zijn choreografieën zijn al door heel Europa te zien. Een van zijn creaties belandde onlangs in de topvijftien van de Britse krant The Guardian. Theaterfestivals boeken hem graag en hij lijkt met benijdenswaardig gemak co-producenten te vinden voor zijn projecten. Martens gaat, kortom, als een speer. In mei is tijdens Spring in Utrecht zijn nieuwste voorstelling te zien: The Common People.

De mens tonen, de echte mens, daar is het Martens om te doen. Niet per se superbodies met virtuoze techniek, maar gewone mensen – hij werkt net zo graag met een kind van twaalf als met een door leven en liefde gebutste, ervaren danseres van zestig. Perfection is boring luidt zijn motto op zijn website.

Nu is dat op zichzelf niet uitzonderlijk, maar de manier waarop Martens zijn visie presenteert, is dat wel. Hij hanteert steeds andere, consequente vormprincipes als vertrekpunt voor zijn choreografieën. Maar waar zijn conceptuele voorgangers vaak bleven steken in bloedeloze ernst en saaiheid, ademen de voorstellingen van Martens menselijkheid en aaibaarheid. Tijdens The Dog Days Are Over (2014) bijvoorbeeld, waarin een groep dansers een afmattend uur lang ritmisch telkens verschuivende sprongcombinaties uitvoert, leidde hij de gedachten van de toeschouwers vaardig via verwondering, verveling, ontzag en bewondering naar prikkelende vragen: waaróm is dat gezwoeg boeiend, is dat dan het wezen van dans, wat verwacht ik eigenlijk van een voorstelling? Cultuurkritiek vermomd als aerobische exercitie.

Persoonlijker was Sweat Baby Sweat (2011), waarin Martens een onafgebroken, innige omhelzing langs acrobatische weg laat ontaarden in een wurggreep waarin liefde heeft plaatsgemaakt voor wanhoop. Het gekerm van Truus Bronkhorst in de solo BIS (2012) had een volledig gecontroleerde vorm én sneed dwars door de ziel.

Met The Common People zet Martens een nieuwe stap. In plaats van een vaste ploeg dansers zal hij in elke stad waar de voorstelling staat een groep ‘gewone’ mensen trainen, die op het toneel ontmoetingen met onbekenden zullen hebben. Het is zijn antwoord op het steeds verder digitaliserende ‘sociale leven’ van de hedendaagse mens, waar het bestaan los van het scherm, in al zijn onvolkomenheid maar mét onvergelijkbare intimiteit, ondergeschikt lijkt te raken aan virtuele contacten.